Uitspraak 202408084/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:408
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Een aanvrager van een uitkering uit het schadefonds moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Als geen aangifte is gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet de aanvrager met voldoende objectieve aanwijzingen komen om een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, omdat deze stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202408084/1/A2.
Datum uitspraak: 13 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 17 december 2024 in zaak nr. 24/5605 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Openbare zitting gehouden op 13 januari 2026 om 13:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
griffier: mr. H.A. Komduur
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat in Rotterdam;
De CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 17 december 2024 van de rechtbank ZeelandWestBrabant, waarbij de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 31 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Een aanvrager van een uitkering uit het schadefonds moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Als geen aangifte is gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet de aanvrager met voldoende objectieve aanwijzingen komen om een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, omdat deze stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten. De opmerking van de CSG in het besluit van 17 januari 2024, dat zij niet wil zeggen dat zij [appellante] niet gelooft, moet niet zo worden uitgelegd dat dit een erkenning inhoudt dat een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zich heeft voorgedaan. Deze opmerking laat immers onverlet dat uit de wet en de rechtspraak van de Afdeling voortvloeit dat alleen een eigen verklaring van een slachtoffer onvoldoende is om de aannemelijkheid van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf vast te stellen. Hoewel de rechtbank niet op dit in beroep aangevoerde betoog is ingegaan, kan dit er daarom niet toe leiden dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.
De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
809