Uitspraak BRS.25.001115 en BRS.25.001215
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:124
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.001115 en BRS.25.001215
ECLI:NL:RVS:2026:124
Datum uitspraak: 13 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36757 en van 26 augustus 2025 in zaak nr. NL25.37988 in de gedingen tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Zaak nr. BRS.25.001115
Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Zaak nr. BRS.25.001215
Bij besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 26 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep in zaak nr. BRS.25.001115
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Daarbij heeft zij terecht betrokken dat appellant op dat moment rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000, doordat hij op 6 augustus 2025 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM heeft gedaan. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 66a, zesde lid, van de Vw 2000 niet van toepassing is in dit geval. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3998, onder 6.2. Anders dan appellant betoogt, doen de uitzonderingen van artikel 3.1, eerste lid, van het Vb 2000 zich niet voor. De Afdeling is dan ook van oordeel dat geen sprake is van kwade trouw aan de kant van de minister.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Het hoger beroep in zaak nr. BRS.25.001215
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de maatregel niet onrechtmatig is geworden door een onrechtmatigheid van de daaraan voorafgaande maatregel van 7 augustus 2025. Zoals uit het oordeel van de Afdeling bij het hoger beroep in zaak nr. BRS.25.001115 volgt, is die maatregel namelijk niet onrechtmatig gebleken en kan van een onrechtmatigheid die doorwerkt in deze maatregel alleen al daarom geen sprake zijn. De rechtbank heeft bovendien terecht overwogen dat van kwade trouw bij het opleggen van deze maatregel geen sprake is. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, onder 5 tot en met 5.2, en ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.4 en 4.5. Het beroep van appellant op het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, Bouskoura, ECLI:EU:C:2024:868, leidt daarom niet tot de conclusie die appellant voorstaat.
2.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026
967