Uitspraak BRS.25.002415 en BRS.26.000043
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:94
- Datum uitspraak
- 8 januari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002415 en BRS.26.000043
ECLI:NL:RVS:2026:94
Datum uitspraak: 8 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.24504 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Appellant voert pas in hoger beroep aan dat hij een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, omdat zijn gestelde partner zwanger is. De voorzieningenrechter laat dit betoog buiten beschouwing, omdat dit zich niet verdraagt met het grievenstelsel. Het hoger beroep moet namelijk gaan over de uitspraak van de rechtbank (zie artikel 85 van de Vw 2000). Over dit pas in hoger beroep aangevoerde betoog heeft de rechtbank dus geen oordeel kunnen geven. Appellant kan desgewenst een daartoe strekkende aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning indienen.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026
986