Uitspraak BRS.25.002434 en BRS.25.002435
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:6421
- Datum uitspraak
- 31 december 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 14 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002434 en BRS.25.002435
ECLI:NL:RVS:2025:6421
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 december 2025 in zaken nrs. NL25.51112 en NL25.51113 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 14 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. U heeft op de laatste dag van de hogerberoepstermijn een hogerberoepschrift ingediend en daarbij uitstel gevraagd voor het indienen van gronden. Die mogelijkheid biedt de Nederlandse wet (de Vw 2000) niet. Omdat u niet heeft uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is, kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
644