Uitspraak BRS.25.002195 en BRS.25.002196
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5948
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002195 en BRS.25.002196
ECLI:NL:RVS:2025:5948
Datum uitspraak: 9 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant] en mede haar kinderen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 november 2025 in zaak nr. NL25.31909 in het geding tussen:
[appellant] en mede haar kinderen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De grieven één tot en met drie leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant klaagt in haar vierde grief terecht dat de rechtbank haar beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de minister bij de voorbereiding van het besluit heeft nagelaten om de minderjarige kinderen van appellant in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten binnen de Dublinprocedure in alle aangelegenheden die hen betreffen. Daarmee heeft de minister niet in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3900, onder 10, gehandeld. De rechtbank had het besluit van 15 juli 2025 daarom moeten vernietigen. Wel had de rechtbank in het herstel van het zorgvuldigheidsgebrek in beroep aanleiding kunnen zien de rechtsgevolgen in stand te laten. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de voorzieningenrechter van de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. Daarvoor is het volgende van belang.
4. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen, binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid moet stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. De minister heeft de kinderen van appellant in beroep alsnog in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten in verband met de voorgenomen overdracht aan Duitsland. De kinderen van appellant hebben vervolgens schriftelijke verklaringen ingediend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het begrijpelijk is dat de kinderen graag in Nederland willen blijven, maar dat niet is gebleken dat de overdracht hun welzijn en sociale ontwikkeling zal schaden.
5. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 november 2025 in zaak nr. NL25.31909;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 15 juli 2025, V-[...], V-[...], V-[...] en V-[...];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI. wijst het verzoek af;
VII. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.174,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025
986