Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200307710/1

Uitspraak 200307710/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AO0945
Datum uitspraak
16 december 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 november 2003, kenmerk RZ/RV92-03, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 per maand dat de van het perceel [locatie sub 1] naar het perceel [locatie sub 2] verplaatste niet-schone grond niet door een erkend bureau conform het Bouwstoffenbesluit protocol AP04 is onderzocht op samenstelling en immissie van deze grond in de onderliggende bodem. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200307710/1.
Datum uitspraak: 16 december 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2003, kenmerk RZ/RV92-03, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 per maand dat de van het perceel [locatie sub 1] naar het perceel [locatie sub 2] verplaatste niet-schone grond niet door een erkend bureau conform het Bouwstoffenbesluit protocol AP04 is onderzocht op samenstelling en immissie van deze grond in de onderliggende bodem. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 18 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar verzoeker [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door R. Venema, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.
3. Overwegingen

3.1. Verzoeker voert aan dat uit de in zijn opdracht uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de onderhavige grond slechts licht verontreinigd is en daarom niet als ‘schone grond’ mag worden verhandeld. Hij stelt dat de grond niet is verhandeld en op zijn eigen terrein is verwerkt. Verzoeker is van mening dat de grond daarom niet nader behoeft te worden onderzocht.

3.1.1. Verweerder voert aan dat de in opdracht van verzoeker uitgevoerde bodemonderzoeken niet door een erkend onderzoeksbureau zijn uitgevoerd en niet voldoen aan de in het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming gestelde eisen. Daardoor is het volgens verweerder onduidelijk of de onderhavige grond wel zonder nadere voorzieningen kon worden toegepast.

3.1.2. De Voorzitter stelt vast dat de onderhavige grond bij werkzaamheden op het perceel [locatie sub 1] is vrijgekomen en vervolgens is verplaatst en uitgespreid op het perceel [locatie sub 2]. Tevens stelt de Voorzitter vast dat het in opdracht van verzoeker uitgevoerde bodemonderzoek niet aan de, conform artikel 9 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming en de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit, hieraan gestelde eisen voldoet. De stelling van verzoeker dat de grond niet is verhandeld, maar op eigen terrein is verwerkt speelt hierbij geen rol. Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

3.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003

315.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon