Uitspraak 200303611/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:13
- Datum uitspraak
- 17 december 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) appellanten gelast de permanente bewoning van de vakantiewoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) vóór 1 oktober 2002 feitelijk en daadwerkelijk te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 4.500,-- per persoon per maand of gedeelte van de maand, met een maximum van € 90.000,-- per persoon.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200303611/1.
Datum uitspraak: 17 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 23 april 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Buren.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) appellanten gelast de permanente bewoning van de vakantiewoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) vóór 1 oktober 2002 feitelijk en daadwerkelijk te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 4.500,-- per persoon per maand of gedeelte van de maand, met een maximum van € 90.000,-- per persoon.
Bij besluit van 12 augustus 2002 heeft het college, onder verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 februari 2003, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2003, verzonden op 28 april 2003, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak, waarmee tevens toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 29 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend. Appellanten hebben bij brief van 22 augustus 2003 gereageerd.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. H.A. Schenke en mr. W.J.B.M. Alkemade, beiden advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.F. de Leeuw. M.J. van Olderen en G.R.F. Berends-Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Park [naam park]” de bestemming “Vakantiewoningen B”.
Ingevolge artikel 03B, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Vakantiewoningen B” aangewezen gronden en de volgens dat artikel mogelijke bouwwerken bestemd voor verblijfsrecreatie in vakantiewoningen, welke deel uitmaken van een complex van zodanige vakantiewoningen, dat in het kader van een bedrijf of in enigerlei vorm van onderlinge samenwerking door de rechthebbenden wordt beheerd.
Ingevolge artikel 03B, tweede lid, van de planvoorschriften zien zowel exploitant als gemeentebestuur erop toe dat de in het plangebied te realiseren vakantiewoningen uitsluitend worden gebruikt door recreanten die elders hun hoofdverblijf hebben.
Ingevolge artikel 01, aanhef en onder k, van de planvoorschriften wordt onder vakantiewoning verstaan: een recreatief woonverblijf waarvan de gebruikers slechts tijdelijk gebruik maken en hun hoofdwoonverblijf elders hebben.
Ingevolge artikel 01, onder l, van de planvoorschriften wordt onder hoofdwoonverblijf c.q. hoofdverblijf verstaan een gebouw of een deel van een gebouw dat:
óf door eenzelfde persoon of huishouden gebruikt wordt als woonruimte op een wijze die, ingevolge het bepaalde in artikel 24 t/m 31 van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen;
óf indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres is waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
met dien verstande dat van een gebruik als hoofdwoonverblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, is het verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bebouwing te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemmingen.
2.2. Niet in geschil is dat ingevolge de planvoorschriften het gebruik van de woning [locatie] te [plaats] als hoofdwoonverblijf is verboden. Vast staat dat appellanten met ingang van 4 augustus 1999 op evengenoemd adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Ter zitting is namens appellanten verklaard dat de woning sedertdien hun hoofdwoonverblijf is. Hieruit volgt dat het college bevoegd was tot handhavend optreden.
2.3. Alleen in een bijzonder geval kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.
2.4. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat zodanig zicht ontbrak ten tijde van de beslissing op bezwaar. De brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu aan de Tweede Kamer der Staten Generaal van 15 november 2002 waarnaar appellanten hebben verwezen, dateert van een later tijdstip en biedt overigens, anders dan appellanten menen, evenmin concreet zicht op legalisering. Daaraan staat hier in ieder geval het ter zake geldende provinciale ruimtelijk beleid in de weg.
2.5. Het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van de zijde van het college niet de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat van handhaving zou worden afgezien. De Afdeling wijst in dit verband nog op het gegeven dat in zowel de koopovereenkomst als de notariële akte tot levering van de woning uitdrukkelijk is opgenomen dat de vakantiewoning een recreatieve bestemming heeft alsook op de aan appellanten gezonden brief van 1 december 1999 waarin het college te kennen heeft gegeven dat permanente bewoning niet is toegestaan en dat daartegen zonodig handhavend zal worden opgetreden. Ook de omstandigheid dat handhavend optreden geruime tijd is uitgebleven wettigt niet de verwachting dat zodanig optreden achterwege zou blijven.
2.6. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het vastgestelde bedrag van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het dwangsomoplegging. Dat, zoals appellanten stellen, de hoogte van de dwangsom tot gevolg heeft dat zij in een acute noodsituatie zullen komen te verkeren leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat het vastgestelde bedrag van de dwangsom de terughoudende rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. De Wit
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003
141-412.