Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.000734

Uitspraak BRS.25.000734

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5122
Datum uitspraak
27 oktober 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.000734
ECLI:NL:RVS:2025:5122
Datum uitspraak: 27 oktober 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 mei 2025 in zaak nr. NL25.4246 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 31 december 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J.P. Cats, advocaat in Emmen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Kosovaarse nationaliteit. Ze is op [trouwdatum] 2021 getrouwd met referent. Referent komt uit Kosovo en heeft de Nederlandse nationaliteit. Referent heeft een minderjarige zoon uit zijn vorige huwelijk. Deze zoon heeft de Nederlandse nationaliteit en woont bij zijn moeder.

Vrijstelling inburgeringsvereiste

2.        Wat appellant in de eerste grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM

3.        Appellant klaagt in de tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat het beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez‑Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, in dit geval niet opgaat, omdat de minister referent noch zijn zoon dwingt om Nederland te verlaten. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft in dit geval in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM kenbaar meegenomen dat referent een minderjarige zoon heeft en dat dit in het kader van het arrest Chavez‑Vilchez een onoverkomelijke belemmering zou kunnen vormen voor referent om het gezinsleven met appellant in Kosovo uit te oefenen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2751, onder 2. Maar de minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het voor appellant mogelijk is om binnen een redelijke termijn alsnog aan de vereisten voor een mvv te voldoen en de situatie waarin referent en appellant hun gezinsleven op afstand vorm moeten geven daarom tijdelijk is. De minister heeft daarbij terecht opgemerkt dat dit een feitelijke voortzetting is van de door hen gekozen situatie, aangezien zij hun gezinsleven zijn gestart voordat appellant aan alle vereisten voor rechtmatig verblijf voldeed. De rechtbank heeft daarom terecht, zij het op verkeerde gronden, overwogen dat de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van appellant heeft laten uitvallen.

Conclusie

4.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Laarhoven
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025

850


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon