Uitspraak BRS.25.001470 en BRS.25.001499
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5108
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.001470 en BRS.25.001499
ECLI:NL:RVS:2025:5108
Datum uitspraak: 24 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 september 2025 in zaak nr. NL25.43811 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 30 september 2025 heeft de rechtbank het door appellant tegen het voortduren van de bewaring ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind , advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2. Wat appellant in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3. De voorzieningenrechter van de Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2025
347-1137