Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202405318/1/V3

Uitspraak 202405318/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:3171
Datum uitspraak
9 juli 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 6 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202405318/1/V3.
Datum uitspraak: 9 juli 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 juli 2024 in zaak nr. NL23.38138 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Aydin, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.       Appellant, van Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat appellant geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) heeft en niet gebleken is dat de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 op hem van toepassing zijn. Ook komt appellant volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, omdat hij geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat uitzetting in strijd is met de Associatieovereenkomst EEG-Turkije en het Aanvullend Protocol (hierna: het AP). De minister heeft dit laatste beoordeeld aan de hand van het gewijzigde beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000.

1.1.    Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat appellant geen geldige mvv heeft en er geen vrijstellingsgrond van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is er een wettelijke basis voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond, namelijk artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, en is het beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 de uitleg van de minister van deze bepaling. De bevoegdheid tot afwijzing van de aanvraag vloeit daarmee niet uit het beleid zelf voort. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals het arrest van 7 augustus 2018, Yön, ECLI:EU:C:2018:632, volgt dat het effectief beheer van migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang kan vormen om het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond weer toe te passen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het mvv-vereiste als maatregel geschikt is om dit doel, het effectief beheer van migratiestromen, te bereiken, dat de maatregel niet verder gaat dan noodzakelijk is en dat het afwijzen van de aanvraag op grond van het mvv-vereiste in het geval van appellant niet onevenredig bezwarend is. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het weer toepassen van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije en dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden.

Het hoger beroep van appellant

3.       Appellant komt in zeven grieven op tegen het oordeel van de rechtbank. In zijn eerste grief klaagt hij over het oordeel dat er een wettelijke basis is voor het toepassen van het mvv-vereiste. In de tweede tot en met de vijfde grief klaagt hij over het oordeel dat er een dwingende reden van algemeen belang is voor het toepassen van het mvv-vereiste en dat het mvv-vereiste als maatregel geschikt en evenredig is. De zesde grief gaat over het discriminatieverbod en de zevende grief over de hoorplicht.

Omdat de betogen in de tweede tot en met de vijfde grief elkaar gedeeltelijk overlappen en appellant in de derde grief argumenten aandraagt die feitelijk op een ander onderdeel van de toetsing zien dan hij te kennen geeft, worden de grieven twee tot en met vijf hieronder per onderwerp en niet per grief besproken.

Beoordeling van het hoger beroep

Een wettelijke grondslag

4.       In zijn eerste grief betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er een wettelijke basis is voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond op Turkse onderdanen. Hij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12223. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 geen ruimte biedt ter invulling van beoordelings- of beleidsruimte en dat daarom in de gewijzigde paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 een zelfstandige inhoudelijke norm is geformuleerd om de aanvraag af te wijzen wegens het ontbreken van een geldige mvv, wat op grond van artikel 1:3 van de Awb niet is toegestaan. Ook betoogt hij dat de beleidsregel in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 een wetsinterpreterende beleidsregel is, die niet het nationale recht maar het Unierecht, namelijk artikel 41, eerste lid, van het AP, interpreteert. Daarom verzoekt hij de Afdeling om aan het Hof de prejudiciële vraag voor te leggen of de beleidsregel verenigbaar is met het Unierecht. Verder betoogt hij dat uit rechtspraak van het Hof blijkt dat artikel 41, eerste lid, van het AP alle nieuwe maatregelen verbiedt die tot doel of tot gevolg hebben dat de vrijheid van vestiging van Turkse onderdanen in een lidstaat onderworpen wordt aan strengere regels dan de regels die golden op de datum van de inwerkingtreding van het AP in de betrokken lidstaat.

4.1.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er een wettelijke basis bestaat voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond, namelijk artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, en dat de bevoegdheid tot afwijzing van de aanvraag daarom niet uit het beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 zelf voortvloeit. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935, onder 4.1 en 4.2, waarin de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2024 is vernietigd.

4.2.    Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, legt het beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 uit hoe de minister toepassing geeft aan artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000. Omdat in de beleidsregel niet het Unierecht maar het nationale recht wordt uitgelegd, bestaat al hierom geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

4.3.    Ook het betoog van appellant dat artikel 41, eerste lid, van het AP het invoeren van strengere regels verbiedt, slaagt niet. Zoals volgt uit  rechtspraak van het Hof is een nieuwe beperking als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het AP verboden, tenzij deze rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan. Zie het arrest van het Hof van 10 juli 2014, Dogan, ECLI:EU:C:2014:2066, onder 37. Of daaraan in dit geval wordt voldaan, beoordeelt de Afdeling hierna.

4.4.    De eerste grief faalt.

Dwingende reden van algemeen belang

5.       Appellant betwist het oordeel van de rechtbank dat er een dwingende reden van algemeen belang is om het mvv-vereiste weer toe te passen. Hij betoogt dat de werkelijke dwingende reden van algemeen belang voor herinvoering van het mvv-vereiste niet de reden is die de minister stelt, namelijk het effectief beheer van de migratiestromen en het voorkomen en tegengaan van illegaal verblijf en illegale arbeid in Nederland, maar de herinvoering van de inburgeringsplicht in het buitenland vanaf 1 januari 2022. Hij betwist dat het aantal aanvragen van Turkse onderdanen voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige is toegenomen en wijst erop dat de cijfers tot 2022 een dalende trend laten zien. Hij betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de herinvoering van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen maar een klein percentage van de illegale vreemdelingen op rechtmatigheid wordt gecontroleerd en dat daarom niet gesproken kan worden van effectief beheer van de migratiestromen. Volgens hem is er daarom geen noodzaak om het mvv-vereiste in te voeren. Verder betoogt hij dat de oorzaak voor de vele afwijzingen van aanvragen van Turkse onderdanen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige is, dat er geen openbare werkinstructies en beleidsregels zijn waarin de werkwijze van de minister of van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RvO) nader wordt toegelicht, waardoor het onduidelijk is voor een vreemdeling welke informatie over moet worden gelegd om aan het documentatievereiste te voldoen.

5.1.    Appellant betoogt tevergeefs dat de werkelijke dwingende reden van algemeen belang voor herinvoering van het mvv-vereiste de inburgeringsplicht is. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 1 juli 2025, onder 7.4 heeft overwogen, volgt uit de brief van de minister van 5 juli 2022 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2021/22, 32 824, nr. 366) en het WBV 2022/23 (Stcrt. 2022, nr. 25406), in onderlinge samenhang gelezen, voldoende duidelijk dat de minister het effectief beheer van de migratiestromen, het voorkomen en tegengaan van illegaal verblijf en het voorkomen van illegale arbeid, als dwingende reden van algemeen belang heeft beoogd bij het opnieuw toepassen van het mvv-vereiste bij Turkse onderdanen die in Nederland arbeid als zelfstandige willen verrichten. Bovendien zijn Turkse nieuwkomers die verblijf willen in Nederland om arbeid als zelfstandige te verrichten en voor dat verblijfsdoel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aanvragen, niet inburgeringsplichtig, omdat het verrichten van arbeid als zelfstandige een tijdelijk verblijfsdoel is in de zin van de Wet inburgering 2021. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 7.5.

5.2.    Onder verwijzing naar het arrest Yön heeft de rechtbank terecht overwogen dat het effectief beheer van migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang kan vormen om het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond in te voeren en dat aan het vereiste dat er een dwingende reden van algemeen belang bestaat dus is voldaan. Dit geldt ook als het gaat om een, van alle vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven en arbeid verrichten, gering percentage Turkse vreemdelingen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de omstandigheid dat er ook andere vreemdelingen in Nederland illegaal werken en verblijven, niet afdoet aan de conclusie dat met het invoeren van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen illegale arbeid kan worden beperkt en er daarom een dwingende reden van algemeen belang is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 7.6.

5.3.    Appellant heeft niet onderkend dat de door hem aangevallen overweging van de rechtbank niet alleen over het totaal aantal aanvragen van Turkse onderdanen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in de afgelopen jaren gaat, maar vooral over het hoge percentage afwijzingen van deze aanvragen en de gevolgen daarvan. Zoals de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit de door de minister overgelegde cijfers en de toelichting daarop dat een groot deel van de aanvragen wordt afgewezen, en dat daaruit kan worden opgemaakt dat de afgelopen jaren een substantieel aantal Turkse onderdanen gedurende de looptijd van hun aanvraag illegaal in Nederland verblijft en werkt.

Dat de cijfers van het aantal ingediende aanvragen tot 2022 lager zijn, doet niet af aan de omstandigheid dat de meeste aanvragen worden afgewezen en dat dit leidt tot illegaal verblijf en illegale arbeid, wat de minister wil voorkomen door het weer toepassen van het mvv-vereiste.

5.4.    Het betoog van appellant dat de vele afwijzingen worden veroorzaakt door het ontbreken van openbare werkinstructies en beleidsregels waarin de werkwijze van de minister of van de RvO nader wordt toegelicht, slaagt ook niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:734, onder 5.1, is in bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000, en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 expliciet opgesomd welke stukken en gegevens een Turkse vreemdeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige over moet leggen, en welke feitelijke informatie deze moeten bevatten. Een Turkse vreemdeling kan dus bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 raadplegen om te weten wat hij over moet leggen.

Geschiktheid van de maatregel

6.       De rechtbank heeft terecht overwogen dat het opnieuw toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond geschikt is om het doel van de maatregel, het effectief beheer van migratiestromen, te bereiken. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 8. Wat appellant in zijn hogerberoepschrift over de geschiktheid van de maatregel heeft aangevoerd, heeft geen betrekking op de overwegingen van de rechtbank over de geschiktheid van de maatregel om het beoogde doel te bereiken, maar gaat over de evenredigheid. Dat betoog zal hierna worden besproken.

De evenredigheid van de maatregel

7.       Appellant betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of er minder vergaande maatregelen mogelijk zijn, zoals een inhoudelijke beoordeling aan het loket of een betere beoordeling bij het verstrekken van het Schengenvisum. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond, dat het onmogelijk is om vanuit Turkije aan het documentatievereiste te voldoen, niet beoordeeld heeft omdat hij geen stukken over heeft gelegd om aan het documentatievereiste te voldoen. Hij stelt dat hij geen stukken over heeft gelegd, omdat de minister geen enkele aanvraag inhoudelijk beoordeelt. Bij vertrek naar Turkije zal zijn onderneming worden uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en heeft een aanvraag vanuit Turkije geen enkele kans van slagen, omdat hij dan geen onderneming meer heeft. Aanvragen vanuit Turkije zonder inschrijving bij de Kamer van Koophandel worden volgens hem alleen al om deze reden afgewezen. Ook kunnen Turkse onderdanen geen eenmanszaak of vennootschap onder firma vanuit Turkije oprichten. Verder is het onmogelijk om vanuit het buitenland een Nederlandse bankrekening te openen of een btw-nummer aan te vragen. Er is volgens hem onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke situatie terwijl de minister met alle relevante omstandigheden rekening moet houden.

7.1.    Dat de minister met de door appellant genoemde maatregelen het beoogde doel zou kunnen bewerkstelligen, volgt de Afdeling niet. Met het voorstel om een inhoudelijke beoordeling aan het loket te laten verrichten, gaat appellant er namelijk aan voorbij dat de minister juist voorafgaand aan de feitelijke binnenkomst van de Turkse zelfstandige wil handelen, door illegale migratie te voorkomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 9.3.1. Dat een betere beoordeling bij aanvragen van een Schengenvisum een geschikte, minder vergaande maatregel zou kunnen zijn die het beoogde doel kan bewerkstellen, volgt de Afdeling ook niet. Een Schengenvisum is namelijk alleen bestemd voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in het Schengengebied, niet voor langdurig verblijf in Nederland. Bovendien kan een Schengenvisum in een ander Schengenland dan Nederland worden aangevraagd, waarna op dat visum legaal Nederland ingereisd kan worden. Appellant licht ook niet toe hoe een betere beoordeling van aanvragen van een Schengenvisum het effectief beheer van de migratiestroom in Nederland zou kunnen bewerkstelligen.

7.2.    Het betoog van appellant dat de minister geen enkele aanvraag inhoudelijk beoordeelt, slaagt niet. Met het vaststellen of er een geldige mvv is voor het gevraagde verblijfsdoel dan wel een vrijstellingsgrond van toepassing is, verricht de minister een inhoudelijke beoordeling. De minister hoeft alleen geen verdere inhoudelijke beoordeling van andere vereisten te verrichten als hij de aanvraag afwijst op het ontbreken van een geldige mvv en een vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het

mvv-vereiste, zoals in het geval van appellant.

7.3.    Het betoog dat een aanvraag wordt afgewezen als er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel is overgelegd, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt en slaagt al daarom niet. Bovendien heeft appellant bij zijn aanvraag een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd van de inschrijving van zijn eenmanszaak. In dit uittreksel staat het vestigingsadres van zijn eenmanszaak in Nederland en zijn woonadres in Turkije vermeld. Hieruit blijkt dat, anders dan appellant stelt, het wel mogelijk is om een bedrijf te starten als men in Turkije de woonplaats heeft.

7.4.    Ook het betoog van appellant, dat het niet mogelijk is om vanuit Turkije aan de benodigde stukken voor de aanvraag te komen, omdat een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer moeten worden geregeld in Nederland, slaagt niet. Een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer worden namelijk niet genoemd in bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 als stukken die bij de aanvraag over moeten worden gelegd. Verder geldt dat de minister mag verlangen dat een vreemdeling de in bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000, en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 genoemde stukken overlegt, voor zover die vreemdeling daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, onder 5.1.

7.5.    Appellant betoogt verder tevergeefs dat er te weinig rekening is gehouden met zijn persoonlijke situatie. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft appellant geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan hij zou moeten worden vrijgesteld van het

mvv-vereiste. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het toepassen van het mvv-vereiste in het geval van appellant daarom niet onevenredig bezwarend is.

Conclusie over de grieven 2 tot en met 5

8.       Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang om het

mvv-vereiste weer toe te passen, dat het mvv-vereiste geschikt is om het beoogde doel te bereiken en dat het mvv-vereiste in het geval van appellant niet verder gaat dan noodzakelijk is. Het opnieuw toepassen van dit vereiste als afwijzingsgrond is daarom niet in strijd met artikel 41, eerste lid, van het AP. De tweede tot en met de vijfde grief falen.

Het beroep op discriminatieverboden

9.       In zijn zesde grief betoogt appellant dat met het toepassen van het mvv-vereiste een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van nationaliteit of ras wordt gemaakt. Hij verwijst naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13381.

9.1.    Ook dit betoog faalt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1168, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, omdat de maatregel een gerechtvaardigde beperking is. Er is daarom geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van nationaliteit.

De verwijzing door appellant naar de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2024, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraak gaat over artikel 8 en 14 van het EVRM en artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Appellant heeft niet toegelicht waarom deze bepalingen in deze procedure, die niet gaat over een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het willen uitoefenen van het familie- en gezinsleven, relevant zijn. Hij heeft ook niet betoogd dat andere specifieke rechten of vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, worden geschonden.

Schending hoorplicht

10.     Appellant betoogt in de zevende grief tevergeefs dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De minister mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit (uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4). Aan die maatstaf is voldaan, omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Appellant heeft in bezwaar namelijk geen bijzondere individuele feiten en omstandigheden naar voren gebracht.

11.     Wat appellant verder in zijn grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

12.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

1.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Van de Kolk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025

347-1058

BIJLAGE

Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije

Artikel 41

1.       De Overeenkomstsluitende Partijen voeren onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

[…].

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 14

1.  Onze Minister is bevoegd:

a.  de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor

bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te

nemen;

[…].

Artikel 16

1.  Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor

bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

a.  appellant niet beschikt over een geldige machtiging tot

voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de

verblijfsvergunning is aangevraagd;

[…].

Artikel 17

1.  Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor

bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens het

ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het

betreft:

[…]

g.  appellant die behoort tot een bij algemene maatregel van

bestuur aangewezen categorie;

[…].

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.71

1.  De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor

bepaalde tijd wordt afgewezen, indien appellant niet beschikt over een

geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

2.  Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond

van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld appellant:

[…]

e.  die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van

Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling

van de Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op

12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie

tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en

Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand

gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat

Besluit nr. 1/80;

[…].

Vreemdelingencirculaire 2000, deel B1

4.1. Mvv-vereiste

[…]

4.1.2. Vrijstelling mvv-vereiste vanwege het Associatierecht EEG-Turkije

Een vreemdeling is vrijgesteld van het MVV-vereiste, als artikel 3.71, tweede

lid, onder e, Vb van toepassing is. De IND neemt aan dat uitzetting in strijd is

met het Associatierecht in de zin van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en

onder e, Vb als appellant voldoet aan alle volgende voorwaarden:

• appellant of de hoofdpersoon valt onder het toepassingsbereik van

Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol;

• appellant heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier

voor bepaalde tijd zonder mvv ingediend;

• appellant voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het

verlenen van de verblijfsvergunning; en

• er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de

conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is.

De bijzondere, individuele omstandigheden moeten het uitoefenen van het

vrij verkeer van werknemers of de vrijheid van vestiging belemmeren.

Hiervan kan sprake zijn als bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een

Turkse hoofdpersoon die tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, die

Turkse hoofdpersoon door de bijzondere, individuele omstandigheden

genoodzaakt wordt om te kiezen tussen het uitoefenen van de economische

activiteit in Nederland en het gezinsleven in Turkije.

De IND neemt in beginsel geen belemmering van het uitoefenen van

voornoemde vrijheden in Nederland aan als de bijzondere, individuele

omstandigheden uitsluitend zien op de:

• politieke, economische of sociale situatie in Turkije; of

• persoonlijke omstandigheden in Turkije.

De IND neemt geen belemmering aan voor het uitoefenen van voornoemde

vrijheden in Nederland als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op

de:

• (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.

Het is aan appellant om de eventuele bijzondere individuele

omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met

bewijsmiddelen te onderbouwen.

Aanvragen voor een verblijfsvergunning die door de IND zijn ontvangen voor

1 oktober 2022 worden niet afgewezen op het mvv-vereiste als de aanvrager onder het toepassingsbereik valt van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol

en, behalve aan het mvv-vereiste, aan alle overige voorwaarden van het

gevraagde verblijfsdoel voldoet.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon