Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200306771/1

Uitspraak 200306771/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AN8391
Datum uitspraak
14 november 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk 2003\5608, hebben verweerders aan verzoeker een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 100,00 per dag dat geconstateerd wordt dat verzoeker in strijd handelt met voorschrift 4.2 van de op 16 november 1999 verleende vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, kenmerk 3292. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

RECTIFICATIE: pagina 4
200306771/1.
Datum uitspraak: 14 november 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

dijkgraaf en heemraden van het waterschap Vallei & Eem,
verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk 2003\5608, hebben verweerders aan verzoeker een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 100,00 per dag dat geconstateerd wordt dat verzoeker in strijd handelt met voorschrift 4.2 van de op 16 november 1999 verleende vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, kenmerk 3292. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 16 september 2003, bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht ingekomen op 18 september 2003 en met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht naar de Raad van State doorgezonden, alwaar het is ingekomen op 13 oktober 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 november 2003, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. M.A. Burggraaf-Suur en R.R. Smallenburg, beiden ambtenaar van het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij bestreden besluit opgelegde last onder dwangsom heeft betrekking op overtreding van voorschrift 4.2 van de bij besluit van 16 november 1999 verleende vergunning voor het op verschillende tijden en plaatsen lozen van niet-verontreinigd bronbemalingswater op oppervlaktewateren gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap. Ingevolge voorschrift 4.2, voorzover hier van belang, dient per individuele bronbemaling tenminste één week voordat met de daadwerkelijke lozing wordt aangevangen, een melding te worden gedaan bij het waterschap Vallei & Eem.

2.2. Verzoeker stelt dat verweerders niet bevoegd waren hem een last onder dwangsom op te leggen, aangezien hij niet verantwoordelijk is voor de lozing van bronbemalingswater op de stadsgracht aan het Bowlespark te Wageningen, nu hij de bronbemalingsactiviteiten in onderaannemerschap heeft verricht. Zijn opdrachtgever is zijns inziens verantwoordelijk voor de lozing en had zelf een lozingsvergunning moeten aanvragen dan wel een melding van de voorgenomen lozing moeten doen.

2.2.1. Onbetwist is dat de lozing met behulp van apparatuur van verzoeker plaatsvond en de apparatuur door verzoeker werd geïnstalleerd en aangezet. Nadat verweerders verzoeker hiermee voorafgaand aan het bestreden besluit hebben geconfronteerd, heeft verzoeker geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij slechts de verhuurder van de bronbemalingsapparatuur was dan wel dat hij in opdracht van een ander op het oppervlaktewater heeft geloosd. Gelet op het vorenstaande was verzoeker op grond van voorschrift 4.2 van de aan hem verleende lozingsvergunning verplicht een melding te doen, aldus verweerders.

2.2.2. Vaststaat dat verzoeker geen melding heeft gedaan als bedoeld in voorschrift 4.2 van de aan hem verleende vergunning voor het lozen van bronbemalingswater op het oppervlaktewater. Ter zitting is gebleken dat verzoeker de bronbemalingsapparatuur heeft geïnstalleerd alsmede de bronbemalingsactiviteiten en de lozing op het oppervlaktewater feitelijk heeft uitgevoerd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de Voorzitter niet gebleken dat de betrokkenheid van verzoeker bij deze activiteiten zodanig is dat de aan verzoeker verleende vergunning geen betrekking heeft op de lozing. Nu verzoeker geen melding als bedoeld in voorschrift 4.2 bij verweerders heeft gedaan, is de Voorzitter van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat verzoeker overtreder is zodat zij bevoegd waren handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Melse
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2003

191-353.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon