Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202502619/1/V2

Uitspraak 202502619/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2795
Datum uitspraak
24 juni 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202502619/1/V2.
Datum uitspraak: 24 juni 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2025 in zaak nr. NL24.52236 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 29 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Akhiat, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Appellant klaagt in de eerste grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in het besluit een onjuist beoordelingskader heeft toegepast.

1.1.    De minister heeft zich in haar besluitvorming namelijk op het standpunt gesteld dat de door appellant ondervonden problemen met haar echtgenoot geloofwaardig zijn en dat zij volgt dat appellant angst heeft dat zij niet op bescherming kan rekenen van de Turkse autoriteiten. Tegelijkertijd heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat het voor haar per definitie geen zin heeft om aangifte te doen tegen haar echtgenoot. Echter, uit vaste rechtspraak volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, het eerst aan de minister is om te onderzoeken of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden tegen de betreffende dreiging. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 7 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4016, onder 2.1.

1.2.    De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister in haar besluitvorming niet een dergelijke beoordeling heeft gemaakt van de vraag of de Turkse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden aan vrouwen tegen huiselijk geweld. Dat zal de minister alsnog moeten doen, waarbij zij rekening zal moeten houden met de door appellant overgelegde landeninformatie en de verklaringen over haar eerdere ervaringen met het inroepen van bescherming.

1.3.    De eerste grief slaagt.

2.       Gelet op wat de Afdeling onder 1 tot en met 1.3 heeft overwogen, is het hoger beroep al gegrond en komt de Afdeling niet meer toe aan de bespreking van de tweede grief over de vraag of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat zij op individueel niveau bescherming kan inroepen van de Turkse autoriteiten. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en het besluit van 24 december 2024 wordt vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2025 in zaak nr. NL24.52236;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 24 december 2024, V-[…];

V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.

w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Huizer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025

984


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon