Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202304118/1/A2

Uitspraak 202304118/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2711
Datum uitspraak
18 juni 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 mei 2019 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van [appellante] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. [appellante] is op [geboortedatum] 1959 geboren in Alberton in Zuid-Afrika. Bij haar geboorte heeft zij zowel de Nederlandse nationaliteit als de Zuid-Afrikaanse nationaliteit gekregen. Zij is in Zuid-Afrika opgegroeid en heeft daar ook gestudeerd. Op 18 april 2019 heeft [appellante] een Nederlands paspoort aangevraagd bij de ambassade in Pretoria. Aan de afwijzing van deze aanvraag heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellante] vanaf 1 januari 1995 van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals die bepaling op 1 april 2003 luidde, omdat zij van 1 januari 1985 tot en met 1 januari 1995 onafgebroken woonplaats heeft gehad in Zuid-Afrika.
  • Hoger beroep
  • Paspoort

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202304118/1/A2.
Datum uitspraak: 18 juni 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats], Zuid-Afrika,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 mei 2023 in zaak nr. 22/3561 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2019 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 4 mei 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 mei 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld door [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellante] is op [geboortedatum] 1959 geboren in Alberton in Zuid-Afrika. Bij haar geboorte heeft zij zowel de Nederlandse nationaliteit als de Zuid-Afrikaanse nationaliteit gekregen. Zij is in Zuid-Afrika opgegroeid en heeft daar ook gestudeerd.

Standpunt van de minister

2.       Op 18 april 2019 heeft [appellante] een Nederlands paspoort aangevraagd bij de ambassade in Pretoria. Aan de afwijzing van deze aanvraag heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellante] vanaf 1 januari 1995 van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), zoals die bepaling op 1 april 2003 luidde, omdat zij van 1 januari 1985 tot en met 1 januari 1995 onafgebroken woonplaats heeft gehad in Zuid-Afrika.

Daaraan heeft de minister in de beslissing op bezwaar van 4 mei 2022 toegevoegd dat het de eigen verantwoordelijkheid van [appellante] was om zich te laten voorlichten over het behoud van het Nederlanderschap naast het bezit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Volgens de minister heeft het verlies van het Nederlanderschap voor [appellante] geen onevenredige gevolgen.

Uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellante] de Zuid-Afrikaanse nationaliteit heeft, dat zij in Zuid-Afrika is geboren en dat zij op 1 januari 1995 tien jaar onafgebroken in Zuid-Afrika woonde. De minister heeft terecht gesteld dat het, vanuit het oogpunt van eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders die in het buitenland wonen, mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. Het geven van onvoldoende voorlichting over de mogelijkheid van verlies van rechtswege van de Nederlandse nationaliteit kan de wettelijke bepaling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN niet opzij zetten. Het betoog van [appellante] dat zij nooit is geïnformeerd over wetswijzigingen met betrekking tot het Nederlanderschap en dat zij niet in staat was van dergelijke wijzigingen kennis te nemen, slaagt niet.

Oordeel van de Afdeling over het hoger beroep

4.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat, zoals zij ook eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1034, onder 7.1, er een eigen verantwoordelijkheid bestaat om zich te laten voorlichten over de geldende regelgeving. [appellante] heeft daarin onvoldoende gedaan. Het had op haar weg gelegen zich bijvoorbeeld via het consulaat of de ambassade te laten informeren.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat [appellante] geen gelijk krijgt.

6.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025

452-972


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon