Uitspraak 202405514/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:2572
- Datum uitspraak
- 5 juni 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van [appellant 3] om [appellant 1] en [appellant 2] een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
202405514/1/V1.
Datum uitspraak: 5 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 april 2024 en haar einduitspraak van 6 augustus 2024, beide in zaak nr. 23/8745 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van [appellant 3] om [appellant 1] en
[appellant 2] een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 30 april 2024 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de minister het besluit van 12 juli 2023 nader gemotiveerd.
Bij uitspraak van 6 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraken hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.O. Sohansingh, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025
574-1046