Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202402530/1/A2

Uitspraak 202402530/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2548
Datum uitspraak
4 juni 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] huurt een kamer in een pand in Eindhoven. De kamer bevindt zich boven een café en de gemeenschappelijke voorzieningen deelt [appellant] met vijf huisgenoten. Volgens [appellant] is het pand luidruchtig en onhygiënisch, gebruiken zijn huisgenoten verdovende middelen en staat regelmatig de politie aan de deur. [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat hij in zijn huidige woning zijn kinderen niet kan ontvangen en hij door zijn mentale probleem gebaat is bij een veilige en rustige leefomgeving. Naar aanleiding van de bij de aanvraag bijgevoegde stukken heeft het college bij Argonaut medisch advies opgevraagd. In de adviesrapportage van 28 juni 2023 heeft een arts van Argonaut vermeld dat geen sprake is van een medisch onhoudbare situatie waardoor verhuizing op korte termijn absoluut noodzakelijk is. Daarom is geen sprake van medische urgentie in de zin van artikel 5, derde lid en onder a, van de Huisvestingsverordening Eindhoven 2020.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202402530/1/A2.
Datum uitspraak: 4 juni 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Eindhoven,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 13 maart 2024 in zaak nr. 23/3191 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Beide partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       [appellant] huurt een kamer in een pand in Eindhoven. De kamer bevindt zich boven een café en de gemeenschappelijke voorzieningen deelt [appellant] met vijf huisgenoten. Volgens [appellant] is het pand luidruchtig en onhygiënisch, gebruiken zijn huisgenoten verdovende middelen en staat regelmatig de politie aan de deur. [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat hij in zijn huidige woning zijn kinderen niet kan ontvangen en hij door zijn mentale probleem gebaat is bij een veilige en rustige leefomgeving.

2.       Naar aanleiding van de bij de aanvraag bijgevoegde stukken heeft het college bij Argonaut medisch advies opgevraagd. In de adviesrapportage van 28 juni 2023 heeft een arts van Argonaut vermeld dat geen sprake is van een medisch onhoudbare situatie waardoor verhuizing op korte termijn absoluut noodzakelijk is. Daarom is geen sprake van medische urgentie in de zin van artikel 5, derde lid en onder a, van de Huisvestingsverordening Eindhoven 2020 (hierna: Huisvestingsverordening). Het college heeft dit advies gevolgd. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de situatie van [appellant] niet voldoet aan de in artikel 4 van de Huisvestingsverordening genoemde algemene voorwaarden voor het verlenen van urgentie. Het college heeft geen reden gezien om de hardheidsclausule toe te passen, omdat [appellant] over woonruimte beschikt en onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een dusdanig onhoudbare situatie die slechts zou kunnen worden opgelost door het verlenen van urgentie voor een sociale huurwoning binnen het stedelijk gebied Eindhoven.

3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep en op de zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is daar gemotiveerd op ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10 t/m 14 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat, voor zover [appellant] aanvoert dat uit brieven van de Dienst Toeslagen volgt dat hij recht heeft op een urgentieverklaring, hij niet in dat betoog kan worden gevolgd. Uit deze stukken blijkt niet meer dan dat de Dienst Toeslagen aan de gemeente heeft doorgegeven dat [appellant] graag ondersteuning ontvangt op verschillende gebieden, waaronder wonen.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2025

1160


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon