Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202303455/1/A2

Uitspraak 202303455/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2432
Datum uitspraak
28 mei 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 juli 2019 heeft de minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor Medische Zorg en Sport de aanvraag van [appellant] voor een tegemoetkoming voor patiënten en nabestaanden in verband met Q-koorts, afgewezen. Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202303455/1/A2.
Datum uitspraak: 28 mei 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2023 in zaak nr. 22/3097 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 heeft de minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor Medische Zorg en Sport de aanvraag van [appellant] voor een tegemoetkoming voor patiënten en nabestaanden in verband met Q-koorts, afgewezen.

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2025, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.S. Fakili, mr. M.A.H. Gatzen en S.N. Wiessenhaan, zijn verschenen.

Bij besluit van 4 maart 2025 heeft de minister zijn besluit van 6 april 2022 herzien, het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2019 herroepen, de aanvraag om een tegemoetkoming ingewilligd en het betaalde griffierecht vergoed.

De Afdeling heeft [appellant] bij brief van 5 maart 2025 verzocht om te laten weten of hij naar aanleiding van het herziene besluit zijn hoger beroep wil intrekken.

Omdat [appellant] niet op de brief van 5 maart 2025 heeft gereageerd, heeft de Afdeling het onderzoek bij brief van 23 april 2025 heropend en hem verzocht om een zienswijze op het herziene besluit van de minister.

Geen van de partijen heeft binnen de door de Afdeling gestelde termijn gereageerd noch verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat een nadere behandeling op een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.       [appellant] wilde met zijn hoger beroep bereiken dat de minister de door hem gevraagde tegemoetkoming van € 15.000,00 zou toekennen. In zijn besluit van 4 maart 2025 heeft de minister de gevraagde tegemoetkoming toegekend en heeft hij het door [appellant] betaalde griffierecht vergoed. De minister is daarmee volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van [appellant]. Omdat hij heeft bereikt wat hij wilde en kon bereiken, heeft hij geen belang meer bij zijn hoger beroep. Om dezelfde reden is, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, ook geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 4 maart 2025.

2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

3.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Daalder
voorzitter

w.g. Rijsdijk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025

705-1100


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon