Uitspraak 202303902/5/A3, 202400582/6/A3 en 202407350/5/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1670
- Datum uitspraak
- 15 april 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij brief, ingekomen op 26 maart 2025, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. dr. A.J.C. Moor-van Vugt als voorzitter van de Afdeling belast met de behandeling van de zaken nrs. 202303902/4/A3, 202400582/5/A3 en 202407350/4/A3. [verzoeker] heeft kort samengevat aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de zitting van 20 maart 2025 ten onrechte ongemotiveerd is verplaatst van 11:00 uur naar 12:00 uur. Ook was volgens [verzoeker] de zittingsduur te kort. Verder is met zijn verzoek om twee getuigen te horen niets gedaan. De staatsraad kapte [verzoeker] tijdens de zitting herhaaldelijk af omdat zijn woordgebruik haar niet aanstond.
- Wraking
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202303902/5/A3, 202400582/6/A3 en 202407350/5/A3.
Datum beslissing: 15 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 26 maart 2025, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. dr. A.J.C. Moor-van Vugt (hierna: de staatsraad) als voorzitter van de Afdeling belast met de behandeling van de zaken nrs. 202303902/4/A3, 202400582/5/A3 en 202407350/4/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie ingediend.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter zitting behandeld op 8 april 2025. [verzoeker] heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. [verzoeker] heeft kort samengevat aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de zitting van 20 maart 2025 ten onrechte ongemotiveerd is verplaatst van 11:00 uur naar 12:00 uur. Ook was volgens [verzoeker] de zittingsduur te kort. Verder is met zijn verzoek om twee getuigen te horen niets gedaan. De staatsraad kapte [verzoeker] tijdens de zitting herhaaldelijk af omdat zijn woordgebruik haar niet aanstond. In dat kader wijst hij ook op een brief van 20 februari 2025 waarin staat dat zijn zaak niet-ontvankelijk zou worden verklaard als hij zijn woordgebruik niet aanpast. Verder wijst [verzoeker] erop dat de griffier op zitting niet opgenomen wilde worden. Ook wijst [verzoeker] erop dat de staatsraad verschillende onjuiste uitlatingen op zitting heeft gedaan. Zo drong de staatsraad er onder meer op aan om een zaak in te trekken, maar was dit volgens [verzoeker] onmogelijk, omdat hij in die zaak geen verzoek om voorlopige voorziening had ingediend. Verder wijst [verzoeker] op een uitspraak van 5 februari 2025 gedaan door een andere staatsraad. Tot slot verzoekt [verzoeker] om uitbreiding van zijn verzoek om voorlopige voorziening met een verzoek om een voorschot van € 100.000 wegens het blijven blokkeren van zijn VOG.
3. De staatsraad heeft inhoudelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
4. [verzoeker] heeft tijdens de wrakingszitting meegedeeld dat hij zijn verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken nrs. 202303902/4/A3, 202400582/5/A3 en 202407350/4/A3 zal gaan intrekken. Hij heeft daarbij verklaard dat hij voornemens is om op korte termijn nieuwe verzoeken om voorlopige voorziening in deze zaken in te dienen. Hij heeft daarbij toegelicht dat hij langs deze weg hoopt te bewerkstelligen dat een andere staatsraad deze verzoeken zal behandelen. Direct na de zitting heeft [verzoeker] in alle procedures schriftelijk bevestigd dat hij zijn verzoeken om voorlopige voorziening intrekt. Omdat [verzoeker] zijn verzoeken heeft ingetrokken, zijn deze nu niet meer in behandeling bij de staatsraad op wie het wrakingsverzoek betrekking heeft. Met dat verzoek kan hij daardoor niet meer bereiken wat hij wenst. Gelet hierop heeft [verzoeker] geen belang meer bij de beoordeling van zijn verzoek om wraking. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025
867