Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202402933/2/R4

Uitspraak 202402933/2/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4629
Datum uitspraak
13 november 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 juli 2022 heeft het college aan Jachthaven Eembrugge een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van tien kantoorunits aan de Eemweg 74 voor woondoeleinden. Bij het invorderingsbesluit van 6 september 2024 heeft het college onder meer € 9.000,00 ingevorderd aan dwangsommen die volgens het college zijn verbeurd door overtreding van de op 14 juli 2022 opgelegde last onder dwangsom, voor zover die last in stand is gebleven bij het besluit van 28 juni 2023. Gelet op artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep van Jachthaven Eembrugge mede betrekking op dit invorderingsbesluit, voor zover daarbij het bedrag van € 9.000,00 aan dwangsommen is ingevorderd.
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202402933/2/R4.
Datum uitspraak: 13 november 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

Jachthaven Eembrugge Holding B.V., gevestigd in Baarn,

verzoekster,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 28 maart 2024 in zaak nr. 23/4106 in het geding tussen:

Jachthaven Eembrugge

en

het college van burgemeester en wethouders van Eemnes.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2022 heeft het college aan Jachthaven Eembrugge een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van tien kantoorunits aan de Eemweg 74 voor woondoeleinden.

Bij besluit van 28 juni 2023 heeft het college onder meer het door Jachthaven Eembrugge daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2022 herroepen voor zover de last ziet op de kantoorunits 74A, 74B, 74C, 74D, 74E en 74G. Het college heeft dat besluit voor het overige in stand gelaten, namelijk voor zover de last ziet op de kantoorunits 74H, 74J, 74K en 74L.

Bij mondelinge uitspraak van 28 maart 2024 heeft de rechtbank het door Jachthaven Eembrugge daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Jachthaven Eembrugge hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 6 september 2024 heeft het college, voor zover in deze procedure van belang, € 9.000,00 aan dwangsommen ingevorderd bij Jachthaven Eembrugge.

Jachthaven Eembrugge heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.

Tevens heeft Jachthaven Eembrugge de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 november 2024, waar het college, vertegenwoordigd door S.J.M. Paffen, is verschenen.

Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
  1. Bij het invorderingsbesluit van 6 september 2024 heeft het college onder meer € 9.000,00 ingevorderd aan dwangsommen die volgens het college zijn verbeurd door overtreding van de op 14 juli 2022 opgelegde last onder dwangsom, voor zover die last in stand is gebleven bij het besluit van 28 juni 2023. Gelet op artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep van Jachthaven Eembrugge mede betrekking op dit invorderingsbesluit, voor zover daarbij het bedrag van € 9.000,00 aan dwangsommen is ingevorderd.

Bij dit invorderingsbesluit heeft het college ook een ander bedrag ingevorderd aan dwangsommen die volgens het college zijn verbeurd door overtreding van een andere last onder dwangsom, opgelegd bij een ander besluit dan dat van 14 juli 2022. Deze procedure gaat niet over de invordering van dat andere bedrag.

  1. Jachthaven Eembrugge heeft de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van het besluit om € 9.000,00 bij haar in te vorderen, zodat zij dat bedrag niet hoeft te betalen in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure over de opgelegde last onder dwangsom en het invorderingsbesluit. In haar verzoekschrift wijst zij erop dat de last onder dwangsom nog niet onherroepelijk is en verwijst zij naar de gronden die zij heeft aangevoerd tegen het invorderingsbesluit. Die gronden komen er in de kern op neer dat het wenselijk is om de kantoorunits als woonruimte te kunnen verhuren vanwege de grote behoefte aan woningen en het moeilijk kunnen verhuren van kantoorruimten.

3.1.    Jachthaven Eembrugge heeft in haar verzoekschrift niet duidelijk gemaakt welk belang zij heeft bij de door haar verzochte voorlopige voorziening. De enkele omstandigheid dat de opgelegde last onder dwangsom nog niet onherroepelijk is, levert geen belang op bij de verzochte schorsing van het invorderingsbesluit. Als namelijk in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat het besluit tot oplegging van die last onder dwangsom moet worden vernietigd, zal ook het besluit tot invordering van de dwangsommen die zijn verbeurd door overtreding van die last, worden vernietigd. Als Jachthaven Eembrugge het bedrag van € 9.000,00 dan al heeft betaald, zal de gemeente dat bedrag moeten terugbetalen. Aangezien Jachthaven Eembrugge niet heeft gesteld en niet heeft onderbouwd dat het voor haar bezwarend is om het bedrag nu te moeten betalen, acht de voorzieningenrechter onvoldoende belang aanwezig bij de door haar verzochte schorsing.

  1. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
  1. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Van Breda
voorzieningenrechter

w.g. Kors

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024

687


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon