Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202306048/1/A2

Uitspraak 202306048/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4566
Datum uitspraak
28 oktober 2024
Inhoudsindicatie
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 november 2022 ongegrond is verklaard. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen. [appellant] heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat erop wijst dat deze overwegingen niet juist zouden zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.4. opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar aan toe dat het college de mentale en fysieke gevolgen van [appellant] erkent, maar terecht stelt dat ook andere oplossingen denkbaar zijn, die niet in strijd zijn met de wet.
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202306048/1/A2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Tilburg,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 25 augustus 2023 in zaak nr. 23/30 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Openbare zitting gehouden op 28 oktober 2024 om 11:30 uur.

Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. A. Wolda

Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. A.C. van Langen, advocaat te Waalwijk;
het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 november 2022 ongegrond is verklaard.

Beslissing

De Afdeling:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II.       treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt verlengd tot en met 31 januari 2025.

Gronden

De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen. [appellant] heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat erop wijst dat deze overwegingen niet juist zouden zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.4. opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar aan toe dat het college de mentale en fysieke gevolgen van [appellant] erkent, maar terecht stelt dat ook andere oplossingen denkbaar zijn, die niet in strijd zijn met de wet.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid niet heeft afgezien van de beginselplicht tot handhaving. Er bestond ook geen concreet zicht op legalisatie. Daarnaast is het opleggen van de last onder dwangsom, ook naar het oordeel van de Afdeling, niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat afgezien had moeten worden van het opleggen van die last onder dwangsom.

Ter zitting heeft [appellant] de Afdeling verzocht om bij een ongegrond hoger beroep de begunstigingstermijn te verlengen voor een periode van vier tot zes maanden. Het college heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een verlenging, maar ten hoogste voor een periode van drie maanden. Om [appellant] de gelegenheid te geven de overtreding ongedaan te maken, zal de Afdeling de begunstigingstermijn bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verlengen tot en met 31 januari 2025. Tot die tijd kan het college de last niet handhaven en worden geen dwangsommen verbeurd.

Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rijsdijk
griffier

705-1112


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon