Uitspraak 202002468/3/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:3775
- Datum uitspraak
- 20 september 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4789, heeft de Afdeling het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door de vreemdeling in deze zaak gevorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure. Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202002468/3/V3.
Datum uitspraak: 20 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:
[de vreemdeling]
verzoeker.
Procesverloop
Bij uitspraak van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4789, heeft de Afdeling het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door de vreemdeling in deze zaak gevorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
- De vreemdeling heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook twee jaar duren (uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, onder 4.3).
In beroep bij de rechtbank
- De redelijke termijn voor de beroepsfase vangt in beginsel aan op het moment waarop het beroepschrift is ingediend. De vreemdeling heeft op 23 mei 2017 beroep ingesteld en de rechtbank heeft op 19 maart 2020 uitspraak gedaan. Daarmee heeft de rechtbank de termijn van twee jaar met 9 maanden en 19 dagen overschreden.
2.1. De Afdeling is echter van oordeel dat deze overschrijding niet tot gevolg heeft dat de redelijke termijn in beroep is overschreden. Het besluit van 23 mei 2017 is namelijk genomen naar aanleiding van een asielaanvraag van de vreemdeling. Eerst in beroep heeft de vreemdeling medische stukken ingebracht en betoogd dat aan hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 moest worden verleend. Hangende het beroep bij de rechtbank zijn vervolgens op verzoek van zowel de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid als de vreemdeling door meerdere (medische) deskundigen rapporten uitgebracht waarop partijen over en weer hebben moeten kunnen reageren. Onder deze omstandigheden is een verlenging van de redelijke termijn gerechtvaardigd. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep wordt daarom afgewezen.
In hoger beroep bij de Afdeling
- De redelijke termijn voor de hogerberoepsfase vangt aan op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de indiening van het hogerberoepschrift op 16 april 2020 tot aan de uitspraak van de Afdeling op 20 december 2023 drie jaar, acht maanden en vier dagen geduurd.
3.1. De redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is met ruim één jaar en acht maanden overschreden. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan de vreemdeling toe te kennen schadevergoeding € 2.000,00. Omdat de overschrijding geheel aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade uitgesproken ten laste van de Staat.
Proceskosten
- De Staat moet de proceskosten vergoeden. De Afdeling stelt deze vast op € 437,50 (1 punt met wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan de vreemdeling van een schadevergoeding van € 2.000,00;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2024
644