Uitspraak 202404614/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:3632
- Datum uitspraak
- 10 september 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 6 februari 2024 heeft het het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam bepaald dat [verzoekster] voor de bacheloropleiding Geschiedenis voor het studiejaar 2023-2024, in haar situatie, bij een inschrijving per 1 februari 2024 een instellingscollegegeld van € 5.016,67 is verschuldigd. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college [verzoekster] voor het studiejaar 2024-2025 moet inschrijven voor de bacheloropleiding Geschiedenis per 1 september 2024 tegen het wettelijk tarief collegegeld dan wel als extraneus per 1 februari 2025 waarvoor zij examengeld verschuldigd is ter hoogte van het wettelijk tarief collegegeld. Zij heeft toegelicht dat voor het studiejaar 2024-2025 dezelfde rechtsvragen aan de orde zijn als voor het studiejaar 2023-2024.
- Voorlopige voorziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202404614/2/A2.
Datum uitspraak: 10 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd in [woonplaats],
verzoekster,
en
het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 6 februari 2024 heeft het college bepaald dat [verzoekster] voor de bacheloropleiding Geschiedenis voor het studiejaar 2023-2024, in haar situatie, bij een inschrijving per 1 februari 2024 een instellingscollegegeld van € 5.016,67 is verschuldigd.
Bij afzonderlijk beslissing van 6 februari 2024 heeft het college het verzoek van [verzoekster] om per 1 februari 2024 als extraneus te worden ingeschreven voor de bacheloropleiding Geschiedenis afgewezen.
Bij beslissing van 18 juni 2024 heeft het college het door [verzoekster] tegen deze twee beslissingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing op bezwaar heeft [verzoekster] beroep ingesteld.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 21 augustus 2024, waar [verzoekster] en het college, vertegenwoordigd door E.L.C.M. Rijnders, via videoverbinding, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig met zaak nr. 202404614/1/A2 behandeld.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Gelet op wat is bepaald in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, dient een verzoek om voorlopige voorziening betrekking te hebben op het materiële geschil over het besluit dat voorligt. Uit de functie van voormeld artikel vloeit voort dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, betrekking moet hebben op de inhoud van het in geding zijnde besluit. Dit wordt het materiële connexiteitsvereiste genoemd.
3. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college [verzoekster] voor het studiejaar 2024-2025 moet inschrijven voor de bacheloropleiding Geschiedenis per 1 september 2024 tegen het wettelijk tarief collegegeld dan wel als extraneus per 1 februari 2025 waarvoor zij examengeld verschuldigd is ter hoogte van het wettelijk tarief collegegeld. Zij heeft toegelicht dat voor het studiejaar 2024-2025 dezelfde rechtsvragen aan de orde zijn als voor het studiejaar 2023-2024.
4. Gelet op de bij de Afdeling voorliggende procedure over de inschrijving en het collegegeld voor het studiejaar 2023-2024, heeft de gevraagde voorlopige voorziening voor het studiejaar 2024-2025 geen betrekking op het - connexe - in de bodemprocedure voorliggende materiële geschil. Het verzoek valt daarom buiten het bereik van de in beroep aangevochten beslissing van het college. Dit betekent dat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste.
5. Gelet op het vorenstaande moet het verzoek worden afgewezen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Jurgens
voorzieningenrechter
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2024
609