Uitspraak 202306414/2/R3


Volledige tekst

202306414/2/R3
Datum uitspraak: 25 juni 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A], wonend in Nes, gemeente Noardeast-Fryslân, en [verzoeker B], wonend in Oosternijkerk, gemeente Noardeast-Fryslân,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 25 augustus 2023 in zaken nrs. 23/429 en 23/431 in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college geweigerd om aan [verzoeker A] een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de bedrijfswoning op het perceel [locatie A] en [locatie B] te Oosternijkerk (hierna: het perceel) te verlenen.

Bij besluit op bezwaar van 17 januari 2023 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard

Bij besluit van 1 augustus 2022 heeft het college [verzoeker A] onder oplegging van een last onder dwangsom van € 30.000,00 ineens gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het perceel ongedaan te maken door het (laten) gebruiken van het pand voor bewoning te beëindigen en beëindigd te houden en de aangebrachte voorzieningen ten behoeve van de woning, waaronder de badkamer/douche en de keuken, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit op bezwaar van 17 januari 2023 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de aan de last verbonden dwangsom is verlaagd naar € 25.000,00 en dat de badkamer/douche en de keuken niet uit het pand hoeven te worden verwijderd.

Bij uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de rechtbank de door [verzoeker A] en [verzoeker B] tegen de beide besluiten op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] hoger beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college, [partij] en anderen en [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben nader stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 juni 2024, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat in Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door D. Wielstra-Veenstra en R. Tap, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [bedrijf] en anderen (hierna: [partij] en anderen), bij monde van [partij], [gemachtigde A] en [gemachtigde B], vertegenwoordigd door C. Zeldenrust, rechtsbijstandverlener in Bolsward, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

3.       Het perceel ligt op het bedrijventerrein 't Oogh. [verzoeker A] is eigenaar van het perceel. Hij verhuurt dit aan [verzoeker B]. Zij exploiteert daar een wolspinnerij en woont daar.

[partij] en anderen zijn ondernemers op het bedrijventerrein 't Oogh. Zij hebben het college in maart 2022 verzocht handhavend op te treden tegen de volgens hen illegale woonsituatie op het perceel. Volgens hen leidt de bewoning van de woning tot belemmeringen van hun bedrijfsvoering.

[verzoeker A] heeft in april 2022 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend om de bedrijfswoning te legaliseren.

4.       Het college heeft geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen. Het heeft daarnaast handhavend opgetreden tegen het zonder de benodigde omgevingsvergunning bouwen en gebruiken van een bedrijfswoning. Het college heeft aan de last een dwangsom van € 25.000,00 ineens verbonden. De aan de last verbonden begunstigingstermijn is laatstelijk verlengd tot 8 juli 2024. De weigering en de opgelegde last onder dwangsom zijn bij afzonderlijke besluiten op bezwaar in stand gebleven.

5.       De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker A] en [verzoeker B] tegen de beide besluiten op bezwaar ongegrond verklaard. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep gaat over de geweigerde omgevingsvergunning en de opgelegde last onder dwangsom.

6.       [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Met dit verzoek willen zij bewerkstelligen dat de aan de last verbonden begunstigingstermijn wordt verlengd totdat uitspraak is gedaan op hun hoger beroep, zodat [verzoeker B] tot dat moment in de woning kan blijven wonen en door [verzoeker A] hangende de procedure bij de Afdeling geen dwangsom wordt verbeurd.

Spoedeisendheid

7.       Indien het verzoek wordt afgewezen, moet [verzoeker A] voor 8 juli 2024 aan de last onder dwangsom voldoen, en dus de bewoning van de woning laten beëindigen en de voorzieningen ten behoeve van de woning verwijderen, en verbeurt hij een dwangsom van € 25.000,00 ineens als hij dat niet doet. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven, zoals tussen partijen ook niet in geschil is.

Beoordeling van het verzoek

8.       De voorzieningenrechter zal met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

9.       [verzoeker B] woont in de bedrijfswoning bij haar bedrijf. Zij beschikt nu niet over vervangende woonruimte, terwijl zij, om verbeuring van de dwangsom te voorkomen, op korte termijn de woning moet verlaten. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er zwaarwegende belangen bestaan bij een spoedige beëindiging van de bewoning. Het college heeft op de zitting verklaard dat er op dit moment geen procedures bij hem aanhangig zijn over bijvoorbeeld de uitbreiding van de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein, waarbij de bewoning op het perceel tot weigering van een gevraagde omgevingsvergunning zou moeten leiden. Aangezien voorts het college en [partij] en anderen op de zitting hebben aangegeven op dit moment geen bezwaar te hebben tegen een schorsing van de opgelegde last onder dwangsom, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit van 1 augustus 2022 en het besluit van 17 januari 2023, waarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2022, te schorsen. Deze schorsing duurt totdat uitspraak is gedaan op het hoger beroep van [verzoeker A] en [verzoeker B]. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de besluiten te schorsen tot 1 oktober 2024, zoals [partij] en anderen op de zitting hebben voorgesteld. Mocht daartoe aanleiding zijn, kunnen [partij] en anderen om opheffing van de schorsing van de besluiten verzoeken.

10.     De voorzieningenrechter benadrukt dat de beslissing om de last onder dwangsom te schorsen niet is ingegeven door een inschatting van de kans van slagen van het hoger beroep. [verzoeker A] en [verzoeker B] moeten er, zoals ook op de zitting is aangegeven, rekening mee houden dat de uitkomst van het hoger beroep zal kunnen zijn dat de opgelegde last onder dwangsom in stand blijft en dat de bewoning op het perceel alsnog moet worden beëindigd en de voorzieningen ten behoeve van de woning alsnog moeten worden verwijderd.

11.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 1 augustus 2022, kenmerk 2022-058865, en het besluit op bezwaar van 17 januari  2023, kenmerk 2022-195075, beide van het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân;

II.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Ten Veen
voorzieningenrechter

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2024

473