Uitspraak 202306609/1/R3 en 202306609/2/R3


Volledige tekst

202306609/1/R3 en 202306609/2/R3.
Datum uitspraak: 25 juni 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023 in zaak nrs. 23/3986 en 23/3987 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2022 heeft het college aan de gemeente Rotterdam een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een kunstwerk in een watergang nabij de Raadhuisstraat 47 te Rotterdam.

Bij besluit van 12 mei 2023 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 juni 2024, waar [verzoeker], en het college, vertegenwoordigd door mr. W. Breure, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning is ingediend op 21 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

3.       De gemeente heeft een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een kunstwerk. Het gaat om het kunstwerk 'Water' van de inmiddels overleden kunstenaar Leo van Oudheusden. Het kunstwerk, een tegeltableau, is gemaakt voor het zwembad 'de Zeehond' in de voormalige gemeente Rozenburg. Dat zwembad is gesloopt in oktober 2016. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om het kunstwerk te behouden in de openbare ruimte of op een binnenlocatie. Er is voor gekozen om het kunstwerk buiten in een watergang te plaatsen. Het college heeft daarvoor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend.

[verzoeker], de broer van de kunstenaar, is het niet eens met de vergunningverlening. Hij vindt de gekozen locatie in de openbare ruimte niet geschikt. Hij heeft gewezen op de kwetsbaarheid van het materiaal. Het kunstwerk moet volgens hem niet in de buitenlucht worden geplaatst, omdat het daardoor onherstelbaar zal worden aangetast. Hij vreest daarnaast voor vandalisme.

4.       Het college heeft zich in het besluit op bewaar op het standpunt gesteld dat [verzoeker] geen belanghebbende is en heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

Beoordeling van het hoger beroep

5.       Het betoog in hoger beroep gaat over de vraag of de locatie waar het kunstwerk zal worden geplaatst, geschikt is. Voordat de voorzieningenrechter aan beantwoording van deze vraag kan toekomen, zal hij, net zoals de rechtbank, eerst bezien of [verzoeker] belanghebbende is.

6.       In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

7.       De rechtbank heeft ten eerste bezien of [verzoeker] door het besluit rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt en daarom belanghebbende is bij het besluit. De rechtbank heeft overwogen dat dat niet het geval is, aangezien [verzoeker] in Maarssen woont. Volgens de rechtbank kan [verzoeker] in zoverre dan ook niet als belanghebbende als bedoeld in de vaste rechtspraak worden aangemerkt, hoezeer hij zich ook het belang van een goede herplaatsing van het kunstwerk aantrekt.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Dat [verzoeker], zoals hij in zijn hogerberoepschrift en op de zitting benadrukt, vanuit zijn vakgebied, te weten weg- en waterbouwkunde en architectuur, een plicht heeft om schadelijke werkzaamheden aan kunstwerken te melden, wat daar van zij, betekent niet dat [verzoeker] belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Ook zijn naar eigen zeggen mentale betrokkenheid brengt niet met zich dat [verzoeker] belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

7.1.    De rechtbank heeft voorts bezien of [verzoeker] als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat hij stelt de persoonlijkheidsrechten te beschikken die voortvloeien uit het auteursrecht van het kunstwerk. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:521, onder 2.2, waaruit volgt dat de bescherming tegen de aantasting van het auteursrecht en de daaruit voorvloeiende persoonlijkheidsrechten een voldoende objectief en persoonlijk belang dat rechtstreeks bij een besluit is betrokken, kan vormen.

7.2.    Artikel 25 van de Auteurswet luidt:

1. De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten:

a. het recht zich te verzetten tegen openbaarmaking van het werk zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding als maker, tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de benaming van het werk of in de aanduiding van de maker, voor zover deze op of in het werk voorkomen, dan wel in verband daarmede zijn openbaar gemaakt;

c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.

2. De in het eerste lid genoemde rechten komen, na het overlijden van de maker tot aan het vervallen van het auteursrecht, toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene.

[…].

7.3.    De rechtbank heeft overwogen dat persoonlijkheidsrechten op grond van artikel 25, tweede lid, van de Auteurswet na het overlijden van de maker tot aan het vervallen van het auteursrecht, toekomen aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene. Is dat niet het geval, dan vervallen deze rechten bij overlijden van de maker. Dat betekent dat, zo heeft de rechtbank overwogen, [verzoeker] alleen houder is van de persoonlijkheidsrechten als hij daartoe door zijn broer bij testament of codicil expliciet is aangewezen. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over persoonlijkheidsrechten met betrekking tot het kunstwerk beschikt die een voldoende objectief en persoonlijk belang vormen dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit om omgevingsvergunning te verlenen voor herplaatsing van het kunstwerk. Ook in zoverre kan [verzoeker] volgens de rechtbank niet als belanghebbende worden aangemerkt.

7.4.    [verzoeker] heeft in hoger beroep alleen een concept-levenstestament uit 2017 overgelegd. Hij heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen uiterste wilsbeschikking, zoals een testament of codicil overgelegd, waaruit blijkt dat hij over de hiervoor bedoelde persoonlijkheidsrechten beschikt. De voorzieningenrechter is daarom met de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over persoonlijkheidsrechten met betrekking tot het kunstwerk beschikt die een voldoende objectief en persoonlijk belang vormen dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit en hij daarom in zoverre geen belanghebbende is.

8.       Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het bezwaar van [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Net zoals de rechtbank, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak en wat [verzoeker] daarover naar voren heeft gebracht.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10.     Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Ten Veen
voorzieningenrechter

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2024

473