Uitspraak 202402979/2/R4


Volledige tekst

202402979/2/R4
Datum uitspraak: 21 juni 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de opheffing of wijziging van de bij uitspraak van 4 juni 2024 in zaak nr. 202402979/1/R4 getroffen voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

Deutsche Umwelthilfe e.V., gevestigd in Radolfzell am Bodensee, Duitsland, en anderen (hierna: DUH en anderen),

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 april 2024 in zaak nrs. 22/3984, 22/4338, 22/4355, 22/4357, 58 22/4359, 22/4449, 22/4450, 22/4451, 22/4454, 22/4566, 22/4567, 22/4578, 22/4579, 22/5006 en 22/5007 in het geding tussen onder meer:

DUH en anderen,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2022 (hierna: ‘Besluit I’) heeft de staatssecretaris aan ONE-Dyas B.V. een vergunning verleend op grond van artikel 94 in samenhang bezien met artikel 105 van het Mijnbouwbesluit (hierna: ‘Mbb’) voor het aanleggen en in stand houden van een pijpleiding tussen het nog op te richten platform N05-A en de bestaande verzamelleiding NGT van Noordgastransport B.V., een 33kV elektriciteitskabel met 20 Mw vermogen tot aan de mediaanlijn met Duitsland en deze elektriciteitskabel aangewezen als bedoeld in artikel 92 van het Mbb.

Bij besluit van 1 juni 2022 (hierna: ‘Besluit II’) heeft de staatssecretaris aan ONE-Dyas een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten het oprichten en in gebruik nemen van een mijnbouwinrichting, het aanleggen van boorgaten, handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden.

Bij besluit van 1 juni 2022 (hierna: ‘Besluit III’) heeft de staatssecretaris ingestemd met het winningsplan N05-A voor het gasveld N05-A en de nog niet aangeboorde prospects N05-A Noord en Tanzaniet-Oost.

Bij besluit van 10 november 2023 (hierna: ‘Besluit IV’) heeft de staatssecretaris Besluit II gewijzigd voor de activiteit "handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden".

Bij uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5519, heeft de rechtbank de beroepen van DUH en anderen tegen Besluit II en Besluit IV gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij Besluit II vernietigd voor zover daarmee toestemming is verleend voor de activiteiten "handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten" en "handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden". Voorts heeft de rechtbank Besluit IV vernietigd, voor zover daarmee toestemming is verleend voor "handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden".

Tegen deze uitspraak hebben DUH en anderen, de staatssecretaris en ONE-Dyas hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 29 mei 2024 (hierna: ‘het herstelbesluit’) heeft de staatssecretaris naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Besluit II, zoals gewijzigd bij Besluit IV, gewijzigd voor de activiteiten "handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten" en "handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden".

DUH en anderen hebben de voorzieningenrechter ten aanzien van het herstelbesluit verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ONE-Dyas heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

DUH en anderen en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

ONE-Dyas heeft daarna nogmaals een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij uitspraak van 4 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2289 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat het herstelbesluit wordt geschorst.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2024, waar DUH en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, M.W. ter Steege, S.R. van Uffelen, en A. Wouda, voor de Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. van der Heijden en R.D. Reinders, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ONE-Dyas, vertegenwoordigd door ir. C.H. de Ruyter van Steveninck, bijgestaan door mr. R. Olivier, advocaat te Den Haag, en J.J. Portier MSc, en ir. S.L.M. den Held, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       ONE-Dyas is tezamen met Hansa Hydrocarbons houder van de winningsvergunningen N04, N05, N07c en N08 in het Nederlandse deel van de Noordzee waar de gasvelden binnen het winningsplan N05-A liggen. De winningsvergunningen zijn reeds in 2015 afgegeven en liggen in deze procedure niet ter beoordeling voor.

2.       Op 13 oktober 2020 heeft ONE-Dyas met toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft het oprichten van een mijnbouwinstallatie, genaamd platform N05-A, voorzien op de Noordzee op ongeveer 20 km ten noorden van Schiermonnikoog. Rondom de projectlocatie liggen verschillende Natura 2000-gebieden, waaronder de Nederlandse Natura 2000-gebieden "Noordzeekustzone", "Waddenzee" en "Duinen Schiermonnikoog" en de Duitse Natura 2000-gebieden (FFH-Gebiete) "Nationalpark Niedersachssisches Wattenmeer" en "Borkum-Riffgrund".

3.       De bodemzaak in deze procedure gaat over de toestemmingen die zijn verleend bij besluiten I, II, III, IV en het herstelbesluit van de staatssecretaris van 29 mei 2024, inclusief de daarbij gevoegde verklaringen van geen bedenkingen van de minister voor Natuur en Stikstof van 16 mei 2024 (soortenbescherming) en 23 mei 2024 (gebiedsbescherming). DUH en anderen hebben ter zitting toegelicht dat hun verzoek betrekking heeft op de natuurtoestemmingen van de minister voor Natuur en Stikstof.

4.       De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 18 april 2024 Besluit II vernietigd, althans voor zover daarbij aan ONE-Dyas (natuur)toestemming is verleend voor de activiteiten "handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten", omdat volgens de rechtbank aan dat besluit niet de op grond van artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) vereiste verklaring van geen bedenkingen van de minister voor Natuur en Stikstof ten grondslag ligt die vereist is vanwege de ontheffing die met het besluit wordt verleend voor de overtreding van artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: ‘de Wnb’) ten aanzien van de bruinvis, de gewone zeehond en de grijze zeehond vanwege onderwatergeluid van de werkzaamheden.

5.       Ook heeft de rechtbank Besluit II vernietigd voor zover daarbij (natuur)toestemming is verleend voor de activiteiten "handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden", omdat daarbij gebruik was gemaakt van de bouwvrijstelling stikstof.

6.       Besluit IV heeft de rechtbank ook vernietigd voor zover daarmee (natuur)toestemming is verleend voor handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden, omdat volgens de rechtbank in strijd met artikel 2 van het Besluit vaststelling beleidsregel extern salderen extern is gesaldeerd met capaciteit die feitelijk niet is gerealiseerd.

7.       DUH en anderen, de staatssecretaris en ONE-Dyas kunnen zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld.

8.       Met het besluit van 29 mei 2024 heeft de staatssecretaris hangende hoger beroep de door de rechtbank geconstateerde gebreken in voormelde besluiten van 1 juni 2022 en 10 november 2023 beoogd te herstellen. Met toepassing van artikel 6.2 van de Wabo heeft de staatssecretaris bepaald dat het besluit van 29 mei 2024 direct in werking treedt. Dat betekent dat ONE-Dyas meteen gebruik mag maken van de omgevingsvergunning en het productieplatform mag oprichten. Het is de bedoeling dat vanaf eind 2024 gas kan worden gewonnen.

9.       Om deze deadline te halen heeft ONE-Dyas toegelicht dat haar productieplatform deze zomer moet worden geïnstalleerd. Daartoe heeft zij het kraanschip de Sleipnir gecontracteerd voor de periode begin augustus 2024. Ter zitting heeft ONE-Dyas toegelicht dat de Sleipnir het enige internationaal opererende schip betreft dat op LNG draait en daarmee de schadelijke lokale emissies van het project aanzienlijk vermindert ten opzichte van andere internationaal opererende installatieschepen. In de periode vanaf begin augustus - het installatieslot - zal het productieplatform moeten worden geïnstalleerd, omdat de Sleipnir na afloop van dat installatieslot elders internationaal wordt ingezet en op zijn vroegst pas weer in 2025 beschikbaar is. Om het installatieslot te halen zal het productieplatform uiterlijk 31 juli 2024 versleept moeten worden naar de boorlocatie. Dit brengt met zich dat ONE-Dyas uiterlijk 21 juni 2024 diverse zaken moet afroepen en zij ongeveer vier weken de tijd nodig heeft om het platform en onderstel zeevast te maken voordat het productieplatform kan worden versleept naar de boorlocatie.

10.     DUH en anderen vrezen onomkeerbare gevolgen voor de natuur als gevolg van (de installatie van) het platform. Zij hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht om een voorlopige voorziening door het herstelbesluit te schorsen. Dat heeft de voorzieningenrechter bij voornoemde uitspraak van 4 juni 2024 gedaan. In deze uitspraak zal de voorzieningenrechter beoordelen of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen met toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

11.     De voorzieningenrechter stelt voorop dat de door DUH en anderen aangevoerde verzoeksgronden nader onderzoek vergen, waarvoor deze procedure zich niet leent. Tegelijkertijd onderkent de voorzieningenrechter dat zowel het belang van de staatssecretaris, als het belang van DUH en anderen bij deze procedure, als een zwaarwegend algemeen belang kunnen worden aangemerkt. Deze belangen laten zich daardoor moeilijk tegen elkaar afzetten. De voorzieningenrechter zal daarom hierna de belangrijkste gronden die DUH en anderen ter onderbouwing van hun verzoek om voorlopige voorziening hebben aangevoerd, beoordelen. Deze beoordeling betreft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en is niet bindend in de bodemprocedure. Daarna zal de voorzieningenrechter - met inachtneming van dit voorlopige rechtmatigheidsoordeel - aan de hand van een belangenafweging beoordelen of de ordemaatregel moet worden gehandhaafd of opgeheven.

De verzoeksgronden

Gebiedsbescherming: toename stikstofdepositie

12.     DUH en anderen betogen dat ten onrechte is aangenomen dat er geen aantasting van de natuurlijke kenmerken optreedt bij de omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe voeren zij aan dat de stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn onderschat, voornamelijk omdat de gehanteerde uitgangspunten voor vaarroutes bij de AERIUS-berekeningen onjuist zijn.

12.1.  Uit de aanvullende passende beoordeling van Royal HaskoningDHV die ten grondslag ligt aan het herstelbesluit en waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Aanvulling passende beoordeling N05-A" van 8 november 2023 (hierna: de aanvullende passende beoordeling), volgt dat in de gebruiksfase vanwege vergaande elektrificatie geen sprake is van een depositietoename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar en dat alleen in de aanlegfase stikstofdepositie plaatsvindt. Het gaat daarbij in het Natura 2000-gebied Duinen Schiermonnikoog om een tijdelijke toename van de stikstofdepositie in de bouwfase van maximaal 0,08 mol/ha/jaar in een groot gebied waar reeds sprake is van een overbelaste situatie. Voor het gebied Waddenzee geldt dat de maximale tijdelijke depositietoename 0,06 mol/ha/jaar zal bedragen. Voor het gebied Noordzeekustzone zal de maximale tijdelijke depositietoename 0,05 mol/ha/jaar bedragen. De maximale tijdelijke depositietoenames zullen voor deze laatste twee gebieden volgens de aanvullende passende beoordeling geen significant negatieve effecten hebben.

12.2.  In aanvulling op deze aanvullende passende beoordeling is de notitie "Aanvullende beoordeling N2000-Schiermonnikoog" van 21 december 2023 opgesteld door Royal HaskoningDHV (hierna: de aanvullende notitie). Hierin is ten aanzien van Natura 2000-gebied Duinen Schiermonnikoog voor de habitattypen waarbij sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (hierna: KDW) uitgewerkt met welk areaal deze habitattypen aanwezig zijn in het Natura 2000-gebied, welk deel van het areaal een overschrijding van de KWD kent, wat de achtergronddepositie is, wat het maximale projecteffect is en welk areaal een depositietoename zal ondervinden en een overschrijding van de KDW kent, gebaseerd op de berekende depositie voor de aanlegfase ‘2024-2025’. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de meest actuele informatie in het Natura 2000-beheerplan, de PAS-gebiedsanalyse, de Natuurdoelenanalyse en de vigerende habitattypen- en leefgebiedenkaarten.

12.3.  In de aanvullende notitie wordt geconcludeerd dat de aanlegfase van N05-A geen negatieve invloed heeft op de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden en dat de tijdelijke stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Duinen Schiermonnikoog, Waddenzee en Noordzeekustzone. Onder meer omdat deze depositietoename niet leidt tot meetbare gevolgen voor de samenstelling en structuur en functie van de habitattypen, de depositietoename voornamelijk bestaat uit NOx en omdat deze toename dermate beperkt is dat deze niet zal leiden tot een meetbare en/of waarneembare verzuring en/of vermesting die van invloed is op de kwaliteit van de habitattypen of een verschuiving in de concurrentiepositie van planten.

12.4.  De staatssecretaris stelt zich, onder verwijzing naar deze aanvullende notitie, op het standpunt dat de kleine en tijdelijke depositie van maximaal 0,08 mol/ha/jaar die veroorzaakt wordt door het project geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, in het bijzonder Duinen Schiermonnikoog. De depositie is tijdelijk en beperkt en zal zich volgens de minister niet vertalen in verandering in de vegetatie die aanwezig is in de stikstofgevoelige onderzochte Natura 2000-gebieden Duinen Schiermonnikoog, Waddenzee en Noordzeekustzone, zodat het volgens de staatssecretaris niet noodzakelijk is om (bijvoorbeeld) middels extern salderen verkregen stikstofdepositieruimte in te zetten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Duinen Schiermonnikoog.

12.5.  In wat DUH en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de staatssecretaris zich niet op dit standpunt mocht stellen. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, is het niet zo dat elke (geringe) toename van stikstofdepositie, waardoor de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen, steeds de natuurlijke kenmerken van een gebied zal aantasten. Wel zullen de gevolgen van die toename moeten worden beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van het Natura 2000-gebied, en moeten de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied daarbij worden betrokken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910). Dat onderzoek heeft plaatsgevonden. In wat DUH en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de aanvullende passende beoordeling en de aanvullende notitie dusdanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat de staatssecretaris zich daar bij het herstelbesluit niet op mocht baseren. Daarbij hecht de voorzieningenrechter aan de omstandigheid dat het hier gaat om een tijdelijke depositie.

12.6.  Over het betoog van DUH en anderen dat de stikstofemissies tijdens de aanlegfase in de aanvullende passende beoordeling en de aanvullende notitie zijn onderschat, omdat de gehanteerde uitgangspunten voor vaarroutes bij de AERIUS-berekeningen onjuist zijn, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. DUH en anderen en de staatssecretaris verschillen voornamelijk van mening over de toepassing van het algemene criterium voor het ‘opgaan in het heersende verkeersbeeld’ bij scheepvaartbewegingen. Volgens DUH en anderen heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat dit criterium geen toepassing kan vinden bij scheepvaart dan wel dat de toepassing van dit criterium op ondeugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet echter geen reden om aan te nemen dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de emissies tijdens de aanlegfase zodanig zijn onderschat dat voornoemd standpunt van de staatssecretaris dat het project geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, niet langer houdbaar is.

12.7.  Nu het er naar het voorlopig rechtmatigheidsoordeel naar uitziet dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat extern salderen niet nodig is, is er voor de voorzieningenrechter geen reden om de daartegen ingebrachte bezwaren in het oordeel op het verzoek te betrekken. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan de beoordeling van de verzoeksgronden van DUH en anderen over extern salderen.

Soortenbescherming, de bruinvis

13.     De rechtbank heeft geoordeeld dat aan Besluit II niet de op grond van artikel 2.20a van de Wabo vereiste verklaring van geen bedenkingen ten grondslag ligt voor ontheffing van het verbod in artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor het verstoren van de bruinvis.

13.1.  De verklaring van bedenkingen van 16 mei 2024 - in samenhang bezien met de eerder afgegeven verklaring van 23 januari 2024 - bevat een aantal voorschriften en beperkingen die ONE-Dyas B.V. in acht moet nemen. In de verklaring van geen bedenkingen is toegelicht dat geen andere bevredigende oplossing voorhanden is, en welke dwingende redenen van groot openbaar belang de ontheffing noodzakelijk maken. Ook wordt uitgebreid uiteengezet welke (mitigerende) maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de bruinvis in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Geconcludeerd wordt dat bij het treffen van de voorgeschreven maatregelen de gunstige staat van instandhouding niet gevaar komt.

13.2.  In wat DUH en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand onvoldoende grond om aan te nemen dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de verklaring van geen bedenkingen in strijd met artikel 5.21, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht is afgegeven voor het verstoren van de bruinvis.

13.3.  Voor zover DUH en anderen stellen dat de betrokken bruinvispopulatie ook in de Duitse delen van de Noordzee voorkomt en dat in het herstelbesluit - en de bijbehorende verklaring van geen bedenkingen van 16 mei 2024 - ten onrechte geen rekening is gehouden met de ongunstige staat van instandhouding van de bruinvis in Duitsland en met de paringsperiode van de bruinvis in mei-augustus, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit het rapport "Natuurtoets Gaswinning N05-A" van 8 oktober 2020, opgesteld door Royal HaskoningDHV volgt dat de effecten van geluid door de werkzaamheden met betrekking tot het heien tijdelijk van aard zijn (maximaal 13 dagen) en dat in de omgeving voldoende leefgebied voor de bruinvis aanwezig is waar de soort naar kan uitwijken. In aanvulling hierop staat in het rapport ‘Aanvulling MER N05-A", van 24 december 2021 (hierna: aanvulling MER) dat het N05-A project kan leiden tot een extra afname van de bruinvispopulatie met 1,8 individuen op een geschatte totale populatie van 51 duizend bruinvissen op het Nederlandse deel van de Noordzee in een worst case scenario waarbij alle verstoring plaatsvindt in het voorjaar wanneer de bruinvisdichtheid in het gebied het hoogst is. Deze bijdrage is blijkens de aanvulling MER zo gering dat de totale verstoring van alle bronnen op de Noordzee ruim beneden de door het Rijk gehanteerde grens blijft dat de populatie met 95% zekerheid niet verder zal afnemen dan tot 95% van de totale Nederlandse bruinvispopulatie. Gelet hierop concludeert de staatssecretaris dat zolang er gewerkt wordt overeenkomstig de in de verklaring opgenomen voorschriften, er geen effect is op de staat van instandhouding.

13.4.  Daargelaten of de Nederlandse populatie bruinvissen behoort tot dezelfde populatie bruinvissen die in het Duitse gedeelte van de Noordzee voorkomt, ziet de voorzieningenrechter - met inachtneming van het voorgaande - in deze stelling van DUH en anderen op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de verklaring van geen bedenkingen van 16 mei 2024 ten aanzien van de bruinvis ten onrechte is afgegeven.

De belangen bij de (opheffing van) ordemaatregel

14.     Vanwege de definitieve sluiting van het Groningerveld en het wegvallen van het aanbod van Russisch gas, is het belang van de staatssecretaris in deze procedure de leveringszekerheid van aardgas aankomende winterperiode 2024-2025 ter overbrugging van de Nederlandse energietransitie. Het belang van de staatssecretaris bij de onmiddellijke inwerkingtreding van het herstelbesluit wordt ingegeven door de zeer beperkte beschikbaarheid van de gespecialiseerde transportmiddelen en installatiewerktuigen die op korte termijn nodig zijn om het platform te realiseren. In zoverre valt het belang van de staatssecretaris samen met het belang van ONE-Dyas.

15.     Tegenover het belang van de staatssecretaris staat het belang van DUH en anderen bij het behoud en de bescherming van in het gebied voorkomende diersoorten, de bruinvis in het bijzonder, en omliggende natuurgebieden, voornamelijk het Natura 2000-gebied Duinen Schiermonnikoog. Zij vrezen onomkeerbare gevolgen voor de natuur, in het bijzonder de aantasting van de Borkumse Stenen.

Geen spoed bij opheffing ordemaatregel?

16.     DUH en anderen betwisten, onder verwijzing naar de brief van de Minister voor Klimaat en Energie van 27 maart 2024 (Kamerstukken II, 2023-2024, 29 023, nr. 494, p. 3), dat ingebruikneming van het boorproductieplatform in de winterperiode 2024/2025 noodzakelijk is voor de Nederlandse leveringszekerheid. De voorzieningenrechter begrijpt DUH en anderen aldus dat zij uit deze brief afleiden dat de staatssecretaris geen belang heeft bij het spoedig opheffen van de ordemaatregel, omdat de situatie waarin een capaciteitstekort zich potentieel kan voordoen vanwege klimaatverandering hoogst uitzonderlijk is.

16.1.  De staatssecretaris onderkent dat een potentieel capaciteitstekort in gasjaar 2024-2025 pas optreedt bij een gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur van -11 graden, in combinatie met gelijktijdige uitval van een capaciteitsmiddel met een uitzendcapaciteit ter grootte van die van de volledige gasopslag Norg. De staatssecretaris heeft echter, onder verwijzing naar de raming van 31 januari 2024 van Gasunie Transport Services (hierna: GTS) voor het komende gasjaar 2024-2025, toegelicht dat de komende twee jaren niet wordt voldaan aan de Europese infrastructuurnorm over capaciteit van artikel 5 van de Verordening (EU) nr. 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PbEU 2017, 280). Uit artikel 5 vloeit voort dat elke lidstaat waarborgt dat, bij verstoring van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur, de technische capaciteit van de resterende infrastructuur in staat is om te voldoen aan de totale gasvraag gedurende een dag van uitzonderlijk hoge gasvraag die met een statistische waarschijnlijkheid eens in de 20 jaar voorkomt.

16.1.1.         Naast voornoemd capaciteitstekort wijst GTS ook op een potentieel volumetekort. Als de winter kouder dan gemiddeld verloopt, zullen de gasopslagen volgens GTS relatief leeg zijn na de winter. Zonder aanvullende maatregelen is er volgens GTS onvoldoende aanbod om de gasopslagen gedurende de zomer 2025 weer tot tenminste 90% te kunnen vullen.

16.2.  In reactie op de raming van GTS heeft het kabinet volgens de staatssecretaris te kennen gegeven waakzaam te blijven en zich te blijven inzetten om tekorten te voorkomen gedurende de energietransitie. De versnelling van de gaswinning op de Noordzee, waaronder de winning uit het N05-A gasveld, vormt daarbij volgens de staatssecretaris een belangrijke pijler. De voorzieningenrechter ziet hiervan een bevestiging in voornoemde brief van de minister van 27 maart 2024. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat de staatssecretaris geen redelijk belang heeft bij spoedige opheffing van de ordemaatregel. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat GTS bij bovengenoemde conclusies uit haar raming voor het gasjaar 2024-2025 rekening heeft gehouden met velden waar op dit moment nog niet uit gewonnen wordt, maar waarvan wel is bewezen dat daar gas aanwezig is (ook als de vergunningverlening nog niet is afgerond), hetgeen volgens de staatssecretaris ook N05-A betreft. De voorzieningenrechter ziet ook hiervan een bevestiging in "Bijlage I: Ontwikkelingen in de gasmarkt, planningsuitgangspunten en scenario’s’ die als bijlage bij de raming van 31 januari 2024 is gevoegd. Die omstandigheid maakt volgens de staatssecretaris de opheffing van de ordemaatregel een dringende kwestie. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

16.3.  Dat volgens DUH en anderen mogelijk nog natuurtoestemmingen in Duitsland zijn vereist voor de aanleg van de elektriciteitskabel, doet daar, wat daar ook van zij, naar het oordeel van voorzieningenrechter niet aan af. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ONE-Dyas op de zitting heeft toegelicht dat zij - ook als blijkt dat nog natuurtoestemmingen in Duitsland zijn vereist voor de aanleg van de elektriciteitskabel - in ieder geval zal voortgaan met de installatie van het productieplatform.

Het betoog slaagt niet.

16.4.  Voor zover DUH en anderen er nog op hebben gewezen dat de aanleg van de elektriciteitskabel leidt tot een onomkeerbare aantasting van de Borkumse Stenen die onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie zijn beschermd, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De rechtbank is in rechtsoverweging 18 uitgebreid ingegaan op de gevolgen van het project voor De Borkumse Stenen en heeft daarbij terecht vastgesteld dat de Borkumse Stenen niet zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Gelet op wat de rechtbank daarin verder heeft overwogen over eventuele schade aan de Borkumse Stenen ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen onaanvaardbare gevolgen voor Borkumse Stenen optreden.

De belangenafweging

17.     Ofschoon de voorzieningenrechter ook het bedrijfseconomisch belang van ONE-Dyas bij opheffing van de getroffen voorlopige voorziening onderkent, zal hij hierna in de eerste plaats de belangen van DUH en anderen die pleiten voor het in stand laten van de getroffen ordemaatregel en de belangen van de staatssecretaris die pleiten voor het opheffen daarvan, tegen elkaar afwegen.

17.1.  Hoewel de voorzieningenrechter op voorhand niet uitsluit dat het hoger beroep van DUH en anderen mogelijk enige kans van slagen heeft, is hij er - gelet op het voorlopige rechtmatigheidsoordeel van de verzoeksgronden van DUH en anderen - op voorhand niet van overtuigd dat eventuele gebreken in de besluitvorming fataal zullen zijn voor de uiteindelijke realisering van het initiatief van ONE-Dyas en dat het initiatief vanwege die gebreken in zijn geheel geen doorgang kan vinden. Dit leidt ertoe dat de belangenafweging in het nadeel van DUH en anderen uitvalt. Dat betekent dat de voorzieningenrechter bij afweging van de wederzijdse belangen aanleiding ziet om de getroffen ordemaatregel op te heffen.

Conclusie

18.     Omdat er niet langer aanleiding is de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening te laten voortduren, zal de voorzieningenrechter deze opheffen.

Proceskosten

19.     De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

heft de bij wijze van voorlopige voorziening uitgesproken schorsing van het besluit van 29 mei 2024 van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, op.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Minderhoud
voorzieningenrechter

w.g. Stoof
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2024

749