Uitspraak 202201518/1/R3


Volledige tekst

202201518/1/R3.
Datum uitspraak: 15 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Wassenaar,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2022 in zaak nr. 21/318 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2020 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen activiteiten op het tennispark "De Oude Eik" aan het Ammonslaantje te Wassenaar.

Bij besluit van 2 december 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2024, waar [appellante], vergezeld van [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door J.F. Klein en K. Fictoor, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 25 mei 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op het tennispark "De Oude Eik" (hierna: het tennispark) zijn twee padelbanen aangelegd. Het college heeft hiervoor aan [partij] bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746, onherroepelijk.

3.       [appellante] woont op het perceel [locatie] in Wassenaar. De achtertuin van dit perceel grenst aan de padelbanen.

4.       [appellante] heeft diverse handhavingsverzoeken ingediend Deze uitspraak gaat over de handhavingsverzoek van 25 mei 2020. [appellante] heeft het college gevraagd handhavend op te treden tegen, voor zover van belang, de uitbreiding van het terras.

Het college heeft geweigerd handhavend op treden, omdat volgens hem geen sprake is van een overtreding. [appellante] is het hier niet mee eens.

Beoordeling van het hoger beroep

5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een uitbreiding van het terras en dat er geen sprake is van een overtreding. Zij voert aan dat de tafels en stoelen bij de padelbanen moeten worden aangemerkt als een uitbreiding van het bestaande terras. Zij wijst er in dit verband op dat niet duidelijk is of de bestaande drank- en horecavergunning wel geldt bij de padelbanen en of een nieuwe vergunning voor deze uitbreiding van het terras nodig is.

5.1.    Uit de stukken blijkt dat op het tennispark een kantine met bijbehorend terras aanwezig is en dat bij de padelbanen tafels en stoelen staan. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellante] vreest dat de tafels en stoelen als terras zullen worden gebruikt, maar dat deze tafels en stoelen nu niet als zodanig worden gebruikt. [partij] heeft op de zitting ook uitdrukkelijk aangegeven dat het niet zijn bedoeling is om daar een terras te realiseren.

Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een uitbreiding van het terras geen sprake is en er alleen al daarom geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024

473