Uitspraak 202207251/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:1850
- Datum uitspraak
- 2 mei 2024
- Inhoudsindicatie
- De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202207251/1/V2.
Datum uitspraak: 2 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 november 2022 in zaak nr. NL22.13623 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 29 november 2022 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Saakjan, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In zijn tweede grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank een onderzoek op zitting achterwege heeft gelaten zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Uit de door de vreemdeling in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat de staatssecretaris op 29 november 2022 aan de rechtbank heeft laten weten geen toestemming te geven om uitspraak te doen zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Awb. De griffier heeft vervolgens bij brief van 30 november 2022 aan de vreemdeling medegedeeld dat de brief van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank van diezelfde datum elkaar hebben gekruist en dat zij er daardoor ten onrechte van uit is gegaan dat de hiervoor bedoelde toestemming was gegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte zonder zitting uitspraak gedaan op het beroep van de vreemdeling.
2. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder aanvoert te bespreken. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 november 2022 in zaak nr. NL22.13623;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024
309-1024