Uitspraak 202401007/1/V3


Volledige tekst

202401007/1/V3.
Datum uitspraak: 1 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 februari 2024 in zaak nr. NL23.40166 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 8 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdeling heeft de Jemenitische nationaliteit. De staatssecretaris heeft zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen, omdat volgens hem op grond van de Dublinverordening Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Hierbij heeft de staatssecretaris het interstatelijk vertrouwensbeginsel als uitgangspunt genomen. Dat houdt het vermoeden in dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte EU-lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat Litouwen in strijd met deze internationale verplichtingen handelt, zodat er voor hem geen reden bestaat om de asielaanvraag van de vreemdeling in Nederland inhoudelijk te behandelen.

1.1.    Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de toepassing van de Dublinverordening voor Litouwen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, gelet op de beschikbare informatie over pushbacks en de toegang tot de asielprocedure van Dublinclaimanten, alsmede hun detentieomstandigheden, opvangvoorzieningen en mogelijkheden voor toegang tot een effectief rechtsmiddel.

1.2.    Naar aanleiding van het hoger beroep in zaak nr. 202300618/1/V3 heeft de Afdeling vragen gesteld aan de staatssecretaris over de situatie waarin Dublinclaimanten terechtkomen na hun overdracht aan Litouwen en hoe hun situatie zich verhoudt ten opzichte van die van vreemdelingen die illegaal de grens naar Litouwen zijn overgestoken. Aan de staatssecretaris is verzocht om in te gaan op de opvang- en detentieomstandigheden, de toegang tot een effectief rechtsmiddel en de vraag of Dublinclaimanten na hun overdracht het risico lopen om illegaal en standaardmatig te worden gedetineerd. Ook is aan de staatssecretaris verzocht een reactie te geven op het betoog van de vreemdeling over de discriminatie van de lhbti-gemeenschap in Litouwen en hun beperkte toegang tot medische zorg. De staatssecretaris heeft die vragen beantwoord en de vreemdeling heeft daarop gereageerd.

1.3.    De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 februari 2024 het hoger beroep in zaak nr. 202300618/1/V3 (ECLI:NL:RVS:2024:696)

niet-ontvankelijk verklaard, omdat na het stellen van de vragen de termijn voor overdracht is verstreken en de staatssecretaris de asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. De betrokken vreemdeling had daarom onvoldoende belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn hoger beroep.

De Afdeling heeft het hogerberoepschrift in die zaak, de door haar gestelde vragen en de antwoorden van partijen geanonimiseerd aan de vreemdeling en de staatssecretaris gezonden, hen in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van deze stukken en verzocht daarop te reageren. Dat hebben partijen gedaan en hun reacties zullen worden betrokken in de beoordeling van de Afdeling.

1.4.    In de bijlage is een overzicht van de in deze procedure betrokken stukken opgenomen. Deze is aangehecht en maakt deel uit van de uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank en de eerste grief van de vreemdeling

2.       De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris voor Litouwen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De door hem overgelegde algemene informatie over het niet accepteren van asielaanvragen en het automatisch detineren van asielzoekers, gaat over vreemdelingen die illegaal Litouwen zijn binnengekomen. Omdat de vreemdeling als Dublinclaimant aan Litouwen wordt overgedragen, zijn deze maatregelen niet op hem van toepassing. De staatssecretaris heeft daarbij terecht gewezen op een uitspraak van het Administratief Hooggerechtshof van 22 juli 2022. Uit de door de vreemdeling overgelegde informatie blijkt dat de situatie voor lhbti’ers in Litouwen moeilijker is dan in Nederland, maar daarmee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht terecht zal komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Uit de informatie kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat de Litouwse autoriteiten nu in het algemeen niet bereid en in staat zijn om in individuele gevallen toereikende bescherming te bieden aan lhbti’ers.

2.1.    De vreemdeling komt in zijn eerste grief op tegen dit oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij een overdracht aan Litouwen een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Uit de overgelegde stukken volgt volgens de vreemdeling dat de tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen de hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit alles zonder toegang tot een effectief rechtsmiddel. Hierbij moet volgens de vreemdeling in aanmerking worden genomen dat hij homoseksueel is. Uit de overgelegde stukken volgt een gebrek aan vooruitgang bij het bestrijden van geweld, stigmatisering en discriminatie waarmee asielzoekers op grond van hun seksuele geaardheid en genderidentiteit worden geconfronteerd. Gelet hierop mag de staatssecretaris volgens hem niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt volgens de vreemdeling op de weg van de staatssecretaris om elke twijfel weg te nemen of aannemelijk te maken dat hij na overdracht niet in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.

Het toetsingskader

3.       De staatssecretaris beoordeelt welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling ingediend asielverzoek. Hierbij gaat hij op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (zie het arrest van het Hof van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 80 en 81).

3.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer haar uitspraken van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042 en ECLI:NL:RVS:2022:1043, over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië, is dat vermoeden weerlegbaar en ligt het op de weg van een vreemdeling om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen worden afgeleid dat niet langer van dat vermoeden mag worden uitgegaan. Uit die uitspraken volgt verder hoe een vreemdeling invulling kan geven aan die bewijslast en onder welke omstandigheden de staatssecretaris nader onderzoek moet doen in de aangezochte lidstaat.

3.2.    De Afdeling heeft in de uitspraken van 13 april 2022 ook het toetsingskader beschreven aan de hand waarvan zij beoordeelt of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat een vreemdeling geen reëel risico loopt dat hij bij terugkeer naar de aangezochte lidstaat terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM.

3.3.    In deze zaak betekent dat concreet dat de Afdeling het oordeel van de rechtbank zal toetsen in hoeverre er aanknopingspunten zijn dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Litouwen systeemfouten bevatten die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereiken en die relevant zijn voor de specifieke overdracht van Dublinclaimanten aan Litouwen. De Afdeling verwijst naar het al genoemde arrest Jawo, punten 83 tot en met 85 en 91 tot en met 93.

3.4.    Een andere maatstaf geldt voor een klacht van de vreemdeling dat de detentieomstandigheden in Litouwen in strijd zijn met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de detentieomstandigheden in Litouwen leiden tot een vernederende behandeling in de zin van deze bepalingen en dat hij een reëel risico loopt na overdracht gedetineerd te worden, is overdracht aan deze lidstaat in strijd met deze bepalingen (vergelijk het arrest van het EHRM, M.S.S. tegen België en Griekenland, van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, paragrafen 218, 219, 221, 222 en 366 en de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2791, onder 6).

Pushbacks en toegang tot de asielprocedure

4.       De Afdeling stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat aan de buitengrens van Litouwen pushbacks plaatsvinden en dat deze een fundamentele systeemfout in de asielprocedure in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening vormen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt bedoeld in het arrest Jawo. De vreemdeling loopt echter niet het risico op pushbacks en detentie als gevolg van illegale grensoverschrijding, aangezien de vreemdeling Litouwen legaal was ingereisd met een Schengenvisum en hij bij een Dublinoverdracht op gereguleerde wijze door de staatssecretaris aan Litouwen zal worden overgedragen.

5.       Voor zover de vreemdeling in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestrijdt dat niet is gebleken dat Dublinclaimanten in een vergelijkbare positie terechtkomen als vreemdelingen die illegaal de grens naar Litouwen zijn overgestoken, in de zin dat zij ook het risico lopen om door pushbacks te worden teruggestuurd naar een derde land zonder daarbij in de gelegenheid te worden gesteld om een asielprocedure te doorlopen, overweegt de Afdeling omwille van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin daarover als volgt. Daarvoor heeft zij stukken bij haar oordeel betrokken die in andere hoger beroepen over pushbacks en toegang tot de asielprocedure in Litouwen zijn overgelegd.

5.1.    Naar het oordeel van de Afdeling zijn er geen aanwijzingen dat Dublinclaimanten of vreemdelingen die zich op afstand van het grensgebied bevinden, met pushbacks te maken krijgen. Bij dat oordeel betrekt de Afdeling de Engelse vertaling van de op 25 april 2023 door het Litouwse Parlement aangenomen Wet tot wijziging van de Litouwse ‘Law on the State Border and its protection’. In het aangenomen amendement van artikel 11, derde en tiende lid, van die wet, staat het volgende:

Article 5: Amendment to Article 11

1. Replace Article 11(3) to read as follows:

"3. The border section is determined up to 5 km wide into the depth of the territory of the Republic of Lithuania from the border of the state border passing by land by border waters. The boundaries of the border section shall be approved by the Government on the recommendation of the Minister of The Interior."

2. Add paragraph 10 to Article 11:

"10. In the event of a declared state-level emergency due to a mass influx of foreigners, persons can enter the border section only with a permit issued by the State Border Guard Service. This permit is issued in cases determined by the Commander of the State Border Guard Service. (...)"

5.2.    Hieruit volgt dat Dublinclaimanten niet zonder toestemming in het Litouwse grensgebied mogen komen. Dit duidt erop dat Dublinclaimanten in Litouwen geen reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks, omdat zij niet in het grensgebied aankomen en ook buiten dat grensgebied kunnen blijven.

Detentie van Dublinclaimanten

6.       De vreemdeling heeft zich in beroep onder verwijzing naar het rapport van het Global Detention Project van mei 2019 en de daarin gemaakte verwijzingen naar de Litouwse vreemdelingenwet, op het standpunt gesteld dat Dublinclaimanten regelmatig door de Litouwse autoriteiten worden gedetineerd onder het mom dat er sprake is van een risico op onderduiken.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Litouwen daadwerkelijk gedetineerd zal worden en dat deze detentie onrechtmatig zou zijn. Daarvoor is het volgende van belang.

6.1.    In het rapport van het Global Detention Project van mei 2019 wordt gewezen op artikel 113, tweede lid, van de Litouwse vreemdelingenwet (nu, na wijziging, artikel 113, vierde lid), waarin aan de Litouwse autoriteiten de bevoegdheid wordt verleend om een vreemdeling in afwachting van een uitzetting of overdracht in bewaring te stellen als er sterke aanwijzingen zijn dat de vreemdeling zal onderduiken. In het rapport wordt gesteld dat deze bevoegdheid in de praktijk breed wordt geïnterpreteerd en veelzijdig wordt toegepast op vreemdelingen die op grond van de Dublinverordening worden overgedragen aan Litouwen:

"According to non-governmental sources, the criteria for finding a risk of absconding are interpreted broadly. Article 113(2) is frequently applied to   persons returned to Lithuania based on the EU Dublin Regulation. If an asylum seeker has previously left Lithuania and subsequently been returned to the country based on the Dublin Regulation, or if they admit in an initial interview that their destination country was another Member State, it is deemed sufficient to establish a risk of absconding" (p. 10)

6.2.    In de bronverwijzing bij de bovenstaande passage wordt verwezen naar het in 2015 opgestelde rapport voor het project MADE REAL. Daarin staat het volgende:

"In the October 2013 amendments, the Parliament inserted an additional element in Art. 113(2) AL referring explicitly to asylum seekers who are subject to the Dublin procedure. In the practice of the SBGS [State Border Guards Service], the risks of absconding is a relevant criterion for initiating detention of asylum seekers who have been transferred to Lithuania under the Dublin Regulation, in particular in the case of repeat transfers (source: interview with a SBGS representative)" (p. 16-17).

"In the practice of the State Border Guards service, the following criteria are used for establishing a risk of absconding:

(…)

- The person has used Lithuania as a transit country (e.g. if during the initial interview the person has declared that his/her destination was another Schengen state);

(…)

- The person has been returned / transferred to Lithuania from other EU      states under readmission or Dublin arrangements;

(…)

The above criteria to a large extent reflect the case law of the LSAC [Lithuania’s Supreme Administrative Court] and district courts on the application of the Return Directive clause. More specifically, as indicated by a judge of the Švenčionys district court, attention is inter alia given to the report of the very first interview hold after the apprehension of the person. If it is indicated that the person’s destination was Western Europe or that he travelled to Europe to find work, in line with applicable case law, as it stands now, this is sufficient indication of the risk of absconding. The same goes for   the circumstance that the person has been transferred to Lithuania under the Dublin Regulation or that his/her fingerprints are recorded in the Eurodac (source: interview with a judge of the Švenčionys district court)" (p. 20-21).

6.3.    De aangehaalde passages in het Global Detention rapport van mei 2019 en het onderliggende rapport uit 2015 leveren geen concrete aanknopingspunten op voor het oordeel dat Dublinclaimanten illegaal en standaardmatig worden gedetineerd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Litouwse wetgeving voor het in bewaring stellen van Dublinclaimanten waarnaar wordt verwezen, in strijd is met Europese regelgeving. Als er sprake is van een significant risico op onderduiken, kan dat gelet op artikel 28 van de Dublinverordening een grondslag voor bewaring opleveren, mits daarbij rekening wordt gehouden met individuele omstandigheden en wordt voldaan aan de eisen van evenredigheid. Uit de hierboven aangehaalde passages volgt weliswaar dat in de Litouwse rechtspraktijk al vrij snel wordt aangenomen dat er sprake is van een risico op onderduiken en dat dit een belangrijke indicator vormt voor de beoordeling of iemand in bewaring mag worden gesteld, maar daaruit volgt niet dat dit een doorslaggevende factor vormt en dat verder geen rekening wordt gehouden met andere individuele omstandigheden. De staatssecretaris wijst er ook terecht op dat de rapporten geen indicatie geven van de frequentie van het gebruik van deze bewaringsgrondslag voor Dublinclaimanten. Er worden geen cijfers genoemd in deze stukken. In het rapport voor het project MADE REAL staat juist vermeld dat deze grondslag vooral wordt toegepast bij zogenoemde ‘repeat transfers’. Dat duidt er niet op dat Dublinclaimanten standaardmatig worden gedetineerd.

6.4.    Daarbij komt dat de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd dat de informatie in deze rapporten verouderd lijkt ten opzichte van de overgelegde, recentere stukken. De recentere stukken bieden geen bevestiging voor de stellingname dat Dublinclaimanten standaardmatig worden gedetineerd.

6.4.1. Zo wordt in de factsheet van het departement migratiezaken van het Litouwse ministerie van Binnenlandse zaken van 12 april 2023 ingegaan op de procedurele aspecten en rechten van vreemdelingen die in het kader van Dublin worden overgedragen aan Litouwen. Hieruit blijkt dat de State Border Guard Service (SBGS) de eerste stappen van de asielprocedure begeleidt en verantwoordelijk is voor het vaststellen van de juridische status van vreemdelingen die onder de Dublinverordening aan Litouwen zijn overgedragen. Volgens de factsheet wordt aan de hand van de juridische status bepaald of de vreemdeling moet worden opgevangen, moet worden voorgedragen voor een rechterlijke beslissing tot bewaring of dat een lichter middel moet worden opgelegd:

"Depending on the foreigner’s legal status, foreigners may be accommodated by decision of the Migration Department - in the FRC SBGS or in a place of residence of their choice, or, in the case of grounds for detention, by court decision, they may be detained in the FRC SGBS, or subjected to an alternative detention measure." (p. 2)

6.4.2. Verder volgt uit het "2022 Country Report on Human Rights Practices" van het U.S. Department of State dat het verbod in de Litouwse wetgeving op willekeurige arrestaties en detenties over het algemeen door de Litouwse regering wordt nageleefd. Daarbij stelt de Afdeling vast dat dit rapport niet alleen relevant is voor strafrechtelijke detentie. In het rapport wordt namelijk ook uitdrukkelijk ingegaan op de detentie van irreguliere migranten in de inmiddels gesloten Litouwse detentiecentra Medininkai en Kybartai.

6.4.3. Tot slot bieden ook het rapport van Amnesty International van 27 juni 2022 en de brief van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van 10 augustus 2021 aan de minister-president van Litouwen, geen aanknopingspunten dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Litouwen structureel worden gedetineerd. Deze stukken gaan namelijk alleen over vreemdelingen die hebben geprobeerd illegaal de grens naar Litouwen over te steken.

Detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen

7.       Uit onder meer het door de vreemdeling in beroep overgelegde CAT-rapport van 21 december 2021 en de rapporten van Amnesty International van 27 juni 2022 en van 27 maart 2023, volgt dat in de tweede helft van 2021 en begin 2022 de opvang- en detentieomstandigheden in de twee zogenoemde ‘Refugee Reception Centres’ (Naujininkai en Rukla), de drie ‘Foreigners’ Registration Centres’ (Pabradé, Medininkai en Kybartai) en de ad hoc opvanglocaties abominabel waren. Er was sprake van overbevolking, een gebrek aan privacy en een tekort aan basale voorzieningen zoals heet water en drinkwater, eten, verwarming, sanitaire en medische faciliteiten. Ook ontbraken geschikte procedures om kwetsbare vreemdelingen te identificeren. Verder waren er meldingen over disproportioneel gebruik van geweld door de bewakers, en een tekort aan maatregelen tegen en in reactie op gendergerelateerd geweld. Dat in deze periode de opvang- en detentieomstandigheden erbarmelijk waren, wordt ook bevestigd door het rapport over het periodieke bezoek van 10 tot 20 december 2021 aan de drie Foreigners’ Registration Centres door het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT). Dat rapport is na instemming van de Litouwse regering op 23 februari 2023 gepubliceerd.

8.       Maar onder verwijzing naar recentere stukken heeft de staatssecretaris in hoger beroep naar het oordeel van de Afdeling terecht betoogd dat de opvang- en detentieomstandigheden in Litouwen zijn verbeterd en daarom niet in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Dat legt zij hieronder uit.

8.1.    Allereerst blijkt uit de overgelegde stukken dat de druk op de opvang- en detentiecentra in Litouwen sterk is afgenomen doordat de instroom van migranten is verminderd. De hoge instroom van migranten die vanuit Belarus de grens naar Litouwen overstaken, leidde er in 2021 toe dat de Litouwse autoriteiten een noodtoestand afkondigden en een aantal vrijheidsbeperkende maatregelen in de Litouwse vreemdelingenwet introduceerden. Die noodmaatregelen zijn door het Hof in het arrest van 30 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:505, in strijd met het Unierecht bevonden. Het Hof heeft kort samengevat overwogen dat het Unierecht in de weg staat aan nationale wetgeving die feitelijke toegang tot de asielprocedure belemmert en het mogelijk maakt om een asielzoeker in detentie te plaatsen om de enkele reden dat hij illegaal verblijf heeft. Het Litouwse Administratief Hooggerechtshof heeft aan dat arrest navolging gegeven en bij uitspraak van 28 juli 2022 de met het Unierecht strijdige nationale regelgeving buiten toepassing gelaten. In het nieuwsbericht van SchengenVisainfo van 18 augustus 2022 staat dat van de 4000 migranten die Litouwen in 2022 illegaal zijn binnengekomen, de meesten de opvang in Litouwen hebben verlaten zodra de beperkingen op hun bewegingsvrijheid in navolging van het oordeel van de hoogste bestuursrechter waren opgeheven. Velen waren op doorreis naar een andere EU-lidstaat. Ook hebben veel migranten ervoor gekozen om vrijwillig terug te keren naar hun land van herkomst.

8.2.    Daarnaast volgt uit de door de staatssecretaris overgelegde stukken dat er maatregelen zijn genomen om het opvangsysteem in Litouwen te verbeteren. Zo volgt uit het bericht van het VN-comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten van 24 februari 2023 en het Follow-up rapport van het VN-Comité tegen foltering van maart 2023 dat er in de opvangcentra verbeteringen zijn voor wat betreft de toegang tot medische zorg, juridische hulp, sanitaire voorzieningen, scholing, catering en recreatieactiviteiten. Ook is er door de afname van het aantal migranten weer meer leefruimte in de opvangcentra. De Foreign Registration Centres, Kybartai en Medininkai, waar zich de meeste problemen voordeden, zijn inmiddels gesloten.

8.3.    Dat het opvangsysteem is verbeterd, vindt bevestiging in de uitgebreide informatie over de opvangvoorzieningen die is te vinden in hoofdstuk 1 van de factsheet van het departement migratiezaken van 12 april 2023. Daarin worden de stappen genoemd die worden ondernomen om een vreemdeling na een Dublinoverdracht van opvang te voorzien en worden de specifieke omstandigheden in het Foreigners Registration Centre in Pabrade en het Rukla Refugee Reception Centre beschreven. Volgens de factsheet wordt, mede aan de hand van de juridische status van de vreemdeling, binnen 24 uur bepaald waar hij wordt opgevangen. Bij de toewijzing van accommodatie wordt rekening gehouden met de eenheid van het gezin, het geslacht, de taal, culturele aspecten en kwetsbaarheden. Volwassenen krijgen driemaal daags een maaltijd en kinderen viermaal daags. Alle bewoners van de centra worden voorzien van beddengoed, hygiëneproducten, kleding, schoenen en een maandelijkse toelage. Ook voorzien beide centra in door de staat gefinancierde medische, psychologische en sociale zorg. Als tweedelijnszorg nodig is, wordt vervoer naar een medisch centrum of ziekenhuis geregeld. Voor kwetsbare personen zijn in de centra voorzieningen aanwezig die zijn toegesneden op hun speciale behoeften. Verder worden van alle asielzoekers binnen twee weken na plaatsing in de opvang de behoeften en kwetsbaarheden in kaart gebracht.

8.4.    Anders dan de vreemdeling betoogt, is het gegeven dat volgens de informatie van het Litouwse Rode Kruis in 2022 op verzoek van het European Union Agency for Asylum, Input by civil society organisations to the Asylum Report 2023, meer dan 4000 terugnameverzoeken door de Litouwse autoriteiten zijn ontvangen, verder onvoldoende om te concluderen dat - in weerwil van de hiervoor gemelde verbeteringen van de opvangvoorzieningen - opnieuw een overbevolking van de opvang- en detentiecentra dreigt. Weliswaar volgt uit de door de staatssecretaris overgelegde stukken dat de verbetering van de opvang- en detentieomstandigheden vooral zit in de afname van het aantal migranten en niet zozeer in uitbreiding van het aantal opvangcentra, maar dat er 4000 terugnameverzoeken zijn binnengekomen, betekent nog niet dat Litouwen al die verzoeken ook heeft ingewilligd en dat al die vreemdelingen ook daadwerkelijk zijn overgedragen naar Litouwen. Integendeel, uit de bronvermelding in de voetnoot volgt dat de informatie over het aantal terugnameverzoeken afkomstig is uit een Litouws nieuwsbericht van 3 januari 2023. Uit dat nieuwsbericht volgt niet alleen dat Litouwen in 2022 meer dan 4000 terugnameverzoeken heeft ontvangen, maar ook dat het aantal vreemdelingen dat jaarlijks onder de Dublinverordening terugkeert naar Litouwen slechts vijf tot dertien procent bedraagt van het totaal aantal ontvangen terugnameverzoeken.

8.5.    De vermelding in punten 18 en 19 van het Follow-up rapport van het VN-Comité tegen foltering van maart 2023 dat tot dusverre nog geen onafhankelijke onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de meldingen over mishandeling en foltering in detentie- en opvangcentra voor asielzoekers en migranten, is ook onvoldoende voor de conclusie dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de detentie- en opvangomstandigheden in Litouwen niet in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Uit dat rapport volgt bovendien dat de meeste meldingen van mishandeling afkomstig waren van het opvangcentrum Medininkai. Zoals hiervoor al is vermeld, is dat opvangcentrum inmiddels gesloten.

Discriminatie van lhbti-gemeenschap

9.       De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de door de vreemdeling in beroep overgelegde informatie niet kan worden afgeleid dat de Litouwse autoriteiten nu in het algemeen niet bereid en in staat zijn om in individuele gevallen toereikende bescherming te bieden aan lhbti’ers.

De Afdeling wijst daarvoor ook op de door de staatssecretaris aangehaalde informatie van het Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) over het aantal ingestelde vervolgingen tegen zogenoemde ‘hate crimes’. Hieruit volgt dat de Litouwse autoriteiten niet onverschillig staan tegen de negatieve bejegening van de

lhbti-gemeenschap in Litouwen. De rechtbank heeft daarom, mede gelet op wat hierna wordt overwogen over de toegang tot een effectief rechtsmiddel, terecht overwogen dat de vreemdeling zich bij problemen die zich kunnen voordoen in verband met zijn gerichtheid, moet beklagen bij de autoriteiten in Litouwen.

Toegang tot een effectief rechtsmiddel

10.     Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat de vreemdeling geen toegang heeft tot een daadwerkelijk rechtsmiddel.

10.1.  Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat de staatssecretaris aan de hand van verschillende stukken gemotiveerd heeft uiteengezet dat er in Litouwen procedures aanwezig zijn om een klacht in te dienen of beroep in te stellen over de opvang- en detentieomstandigheden of een afwijzend asielbesluit. Ook volgt daaruit dat er in Litouwen toegang is tot rechtsbijstand. Volgens de factsheet van 12 april 2023 en de website van de Litouwse migratiedienst, MIGRIS, kan een vreemdeling zowel in de bestuurlijke fase als in de beroepsprocedure gebruikmaken van door de staat gesubsidieerde rechtsbijstand, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om deze zelf te bekostigen. Het stellen van een middelenvereiste is in lijn met artikel 21, tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn (zie ook de Afdelingsuitspraak van 9 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:244, onder 6.2.1).

10.2.  Uit het rapport van Amnesty International van 27 juni 2022 en de informatie van het Litouwse Rode Kruis volgt wel dat de kwaliteit van de door de staat gefinancierde rechtsbijstand niet altijd optimaal is door een gebrek aan interactie en uitwisseling van informatie tussen de vreemdeling en de advocaat. Dit gebrek is op zichzelf echter onvoldoende om te leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Zie ter vergelijking de uitspraken van de Afdeling van 23 oktober 2019 over Dublinclaimanten in Griekenland, ECLI:NL:RVS:2019:3537, onder 7.6, en ECLI:NL:RVS:2019:3538, onder 4.6. In die zaken leidden de gebreken in de toegang tot de rechtsbijstand in combinatie met de problemen in de asielprocedure en de opvang tot het oordeel dat de staatssecretaris niet zonder meer mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

10.3.  Opmerking verdient bovendien dat, uit wat is aangevoerd onder verwijzing naar het Follow-up rapport van het Global Detention Project van maart 2023, niet blijkt dat de vreemdeling volledig is aangewezen op de door de staat gefinancierde rechtsbijstand. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet zelf rechtsbijstand kan bekostigen of dat het voor hem niet mogelijk is om zich tot een ngo te wenden om zich juridisch te laten bijstaan. Zo verleent blijkens informatie van het Litouwse Rode Kruis een juridisch team van die ngo ook gratis juridische bijstand. Die bestaat uit het verstrekken van adviezen, het voorbereiden van documenten in de asielprocedure en het procederen in strategische rechtszaken. Ook bezoekt die ngo regelmatig opvangcentra en heeft zij toegang tot grenscontroleposten, huizen van bewaring en penitentiaire instellingen.

10.4.  Daarbij komt dat het standpunt van de vreemdeling dat in Litouwen in de praktijk niet daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van de beroepsmogelijkheden, onvoldoende onderbouwd is. Het tijdsbestek van zeven dagen waar in het CAT-rapport van 21 december 2021 op wordt gewezen, geldt namelijk alleen als beroep wordt ingesteld in de grensprocedure of als er sprake is van een afkondiging van een staat van beleg of een noodtoestand. In alle andere gevallen geldt een beroepstermijn van veertien dagen. Uit punt 30 van het Follow-up rapport van het

VN-Comité tegen foltering van maart 2023 kan verder niet worden afgeleid dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft. Uit die passage volgt alleen dat zeven Nigeriaanse vreemdelingen, die een opvolgende asielaanvraag hadden ingediend door de Litouwse autoriteiten zijn uitgezet toen de beroepstermijn nog niet was verstreken. Hoewel het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een tweede of derde aanvraag in beginsel schorsende werking heeft, bestaan hierop uitzonderingen. Zo kunnen lidstaten onder meer een uitzondering maken op het recht van de vreemdeling om hangende de beroepstermijn op het grondgebied te verblijven, wanneer er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen en de aanvraag louter is ingediend om een verwijdering van het grondgebied te vertragen of te verhinderen (zie artikel 40, tweede en vijfde lid, en artikel 41, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn). Op basis van de informatie in dit rapport kan niet worden uitgesloten dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich hier voordeed.

Conclusie eerste grief

11.     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er op dit moment geen concrete aanwijzingen zijn voor het oordeel dat Litouwen verzoeken om internationale bescherming van Dublinclaimanten niet op zorgvuldige wijze onderzoekt en beoordeelt en daarbij niet de waarborgen zoals die voortvloeien uit de Procedure-, Opvang- of Kwalificatierichtlijn in acht neemt. Niet is gebleken dat de vreemdeling bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. De eerste grief faalt.

De tweede en derde grief

12.     Wat de vreemdeling heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Conclusie hoger beroep

13.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. .

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Wissels
voorzitter

w.g. Van de Kolk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024

347

BIJLAGE

Rapporten en brieven

1)       Brief aan de minister-president van Litouwen van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa, Straatsburg, 10 augustus 2021;

2)       Rapport van Amnesty International, Lithuania: Forced our or Locked up. Refugees and migrants abused and abandoned, 27 juni 2022;

3)       Rapport van Amnesty International, The State of the World’s Human Rights: Lithuania 2022, van 27 maart 2023

4)       Rapport van het VN-Comité tegen foltering (CAT), Concluding observations on the fourth periodic report of Lithuania, 21 december 2021;

5)       Rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT), to the Lithuanian Government on the periodic visit to Lithuania from 10 to 20 december 2021, 23 februari 2023;

6)       Rapport van het Global Detention Project, Country Report. Immigration detention in Lithuania: Detention and Denial Amidst Extreme Population Decline, mei 2019;

7)       Rapport van het Global Detention Project, Lithuania: Follow-up report to the UN Committee against Torture. Issues related with migrants, asylum seekers and immigration detention, maart 2023;

8)       Rapport ILGA Europe, Annual review on the human rights situation of lesbian, gay, bisexual, trans and intersex people in Lithuania covering the period of January to December 2021, 2022;

9)       Rapport ILGA Europe, Annual review on the human rights situation of lesbian, gay, bisexual, trans and intersex people in Europe and Central Asia, 20 februari 2023;

10)     USDOS, 2021 Country Report on Human Rights Practices: Lithuania, Executive Summary;

11)     USDOS, 2022 Country Report on Human Rights Practices: Lithuania, Executive Summary;

12)     Factsheet van de Migration Department under the Ministry of the Interior of the Republic of Lithuania, ‘Information on procedural elements and rights of applicants subject to a Dublin transfer to Lithuania’, 12 april 2023;

13)     Vladimiras Siniovas and Vilma Ivankevičiūtė, Completed Practices Questionnaire for the project MADE REAL: Lithuania, MADE REAL, 2015, Lithuania (https://odysseus-network.eu/made-real-national-reports/);

14)     Rapport van het UN Human Rights Committee (CCPR), Concluding observations on the 4th periodic report of Lithuania: Human Rights Committee, 29 augustus 2018;

15)     Bijdrage van het Litouwse Rode Kruis (Lietuvos Raudonojo Kryziaus) op verzoek van het EUAA (European Union Agency for Asylum), Input by civil society organisations to the Asylum Report 2023, 2023, (https://euaa.europa.eu/sites/default/files/2023-02/lithuanian_red_cross_society.pdf).

Nieuwsberichten en informatiepagina’s

1)       Informatiepagina Litouwse Migratieautoriteit MIGRIS, ‘I want to get Asylum in the LR’, (https://www.migracija.lt/en/noriu-gauti-prieglobst%C4%AF-lr);

2)       Informatiepagina OSCE ODIHR Hate Crime Reporting, Lithuania (https://hatecrime.osce.org/lithuania);

3)       Nieuwsbericht van Amnesty International, ‘Lithuania: Pushbacks, illegal detention, deception and abuse against refugees and migrants’, 27 juni 2022;

4)       NIeuwsbericht van Médecin sans frontières, ‘People detained in Lithuania and experiencing abuse, violence and mental health distress’, 6 mei 2022;

5)       Nieuwsbericht van Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights (OHCHR), ‘Committee on Economic, Social and Cultural Rights commends Lithuania’s climate change measures, asks about discrimination against minorities and gender disparities’, 24 februari 2023;

6)       Nieuwsbericht van de Supreme Administrative Court of Lithuania, ‘SACL rules in favor of detained foreigner after CJEU preliminary ruling’, 4 augustus 2022 (www.lvat.lt);

7)       Nieuwsbericht van Schengen visa info, ‘Illegal migrants show no interest in living & working in Lithuania, Ministry says’, 18 augustus 2022 (www.schengenvisainfo.com);

8)       Nieuwsbericht LRT, ‘Lithuania closes Medininkai migrant facility as last foreigners moved’, 19 augustus 2022;

9)       Nieuwsbericht van Kauno diena, ‘Although irregular migrants are fleeing Lithuania, some of them are being returned’, 3 januari 2023 [vertaald].

Wetgeving in Litouwen

De Engelse vertaling van Artikel 113, vierde en vijfde lid, van de Litouwse Vreemdelingenwet (Republic of Lithuania Law on the Legal Status of Foreigners), zoals laatstelijk geamendeerd op 17 maart 2022, luidt als volgt:

4. An asylum applicant may be detained solely in the following cases:

1) for the purpose of determination and/or verification of his identity and/or nationality;

1) repealed as of 1 January 2022;

2) in order to identify the grounds underlying his application for asylum (when information on the grounds could not be obtained without detaining the asylum applicant) and, having regard to the circumstances referred to in points 1, 6 to 11 of paragraph 5 of this Article, there are grounds for believing that the foreigner may abscond to avoid return to a foreign state or expulsion from the Republic of Lithuania;

3) when a foreigner detained on a grounds referred to in paragraph 2 of this Article, pending a decision on his return to a foreign state, lodges an application for asylum and there are serious grounds for believing that the application has been lodged merely in order to delay or frustrate the enforcement of the return decision and the foreigner has already had access to the asylum procedure;

4) pursuant to Article 28 of Regulation (EU) No 604/2013;

5) the asylum applicant represents a threat to national security or public policy.

5. When deciding on the risk of a foreigner’s absconding, the following circumstances shall be taken into account:

1) the foreigner is not in possession of an identity document and fails to cooperate in determining his identity and/or nationality (refuses to provide his personal data, provides misleading information, produces counterfeit documents in order to mislead civil servants or employees of the competent authorities or agencies of the Republic of Lithuania, etc.);

2) the person does not have a place of residence in the Republic of Lithuania or is absent from/does not reside at the indicated address of the place of residence;

3) the person does not have a family relationship with persons residing in the Republic of Lithuania or social, economic or other ties with the Republic of Lithuania;

4) the person does not have sufficient resources to cover subsistence costs in the Republic of Lithuania;

5) the person failed to comply with the obligation to leave the Republic of Lithuania within a set time limit, failed to voluntarily leave the Republic of Lithuania within a time limit laid down in a decision to return him to a foreign state or within a time limit extended on the ground referred to in Article 127(32) of this Law;

6) the person fails to comply with an alternative to detention provided by a court;

7) the foreigner accommodated at the State Border Guard Service without restricting his freedom of movement has violated the procedure of temporary absence from the State Border Guard Service;

8) in order to escape criminal liability for illegal border crossing, the person has lodged an application for asylum pending a pre-trial investigation against him;

9) the foreigner’s stay in the Republic of Lithuania may represent a threat to public policy;

10) pending the examination of an application for asylum or when deciding on the foreigner’s return to a foreign state, the foreigner does not cooperate with civil servants or employees of the competent authorities or agencies of the Republic of Lithuania;

11) pending the examination of an application for asylum, the foreigner has unlawfully left or attempted to leave the Republic of Lithuania;

12) the foreigner has attempted to transit or transited through the Republic of Lithuania unlawfully;

13) another EU Member State has taken a decision on the return or expulsion of the foreigner;

14) the foreigner is the subject of an entry ban prohibiting entry into a Member State(s) of the European Union.