Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202300374/1/R4

Uitspraak 202300374/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:1832
Datum uitspraak
1 mei 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst het verzoek van [appellant] om aanpassing van maatwerkvoorschriften voor het dierenpension op het perceel [locatie] in Hengelo afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 31 mei 2021 heeft [appellant] verzocht om de bestemming op het perceel [locatie] te Hengelo aan te passen en om aanpassing van de maatwerkvoorschriften van het op dat perceel gevestigde dierenpension. Het college heeft de verzoeken afzonderlijk behandeld. Bij besluit van 9 december 2021 heeft het college het verzoek om de maatwerkvoorschriften aan te passen afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift volgens het college geen gronden bevatte.
  • Hoger beroep
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202300374/1/R4.
Datum uitspraak: 1 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te Hengelo gld, gemeente Bronckhorst,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2022 in zaak nrs. 22/2134 en 22/2135 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om aanpassing van maatwerkvoorschriften voor het dierenpension op het perceel [locatie] in Hengelo afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 20 januari 2022 heeft het college besloten het verzoek van [appellant] om aanpassing van het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te Hengelo niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 4 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 24 maart 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaak nr. 22/2134) en het beroep tegen het besluit van 4 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard (zaak nr. 22/2135).

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2024, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk en D. Robbertsen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij brief van 31 mei 2021 heeft [appellant] verzocht om de bestemming op het perceel [locatie] te Hengelo aan te passen en om aanpassing van de maatwerkvoorschriften van het op dat perceel gevestigde dierenpension. Het college heeft de verzoeken afzonderlijk behandeld.

Bij besluit van 9 december 2021 heeft het college het verzoek om de maatwerkvoorschriften aan te passen afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift volgens het college geen gronden bevatte.

Bij besluit van 20 januari 2022 heeft het college besloten het verzoek om het bestemmingsplan aan te passen niet in behandeling te nemen. Bij besluit van 4 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift volgens het college geen gronden bevatte die betrekking hadden op het niet in behandeling nemen van zijn verzoek om het bestemmingsplan aan te passen.

Bij uitspraak van 8 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 24 maart 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 4 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling zal hierna eerst onder het kopje "Verzoek aanpassen maatwerkvoorschriften" het hoger beroep van [appellant] bespreken, voor zover dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 24 maart 2022. Vervolgens wordt onder het kopje "Verzoek aanpassing bestemmingsplan" het hoger beroep van [appellant] besproken, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 4 april 2022.

Verzoek aanpassen maatwerkvoorschriften

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow), de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet (hierna: het Ib Ow) in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 8.1.5, tweede lid, van het Ib Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

Het verzoek om aanpassing van de maatwerkvoorschriften is ingediend op 31 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Beoordeling van het hoger beroep

3.       Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de Afdeling van oordeel dat het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 9 december 2021 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden. Het bezwaarschrift van [appellant] van 10 januari 2021 (lees: 2022) bevatte naar het oordeel van de Afdeling wel gronden als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Wat door [appellant] in dat bezwaarschrift is aangevoerd heeft niet rechtstreeks betrekking op het afwijzen van zijn verzoek om maatwerkvoorschriften te stellen. Dat betekent echter niet dat die gronden niet als gronden van het bezwaar zijn te beschouwen, omdat uit dat bezwaarschrift wel volgt waarom het besluit van 9 december 2021 volgens [appellant] onrechtmatig is. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 maart 2022 ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 maart 2022 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaarschrift van [appellant] tegen het besluit van 9 december 2021.

De Afdeling zal hierna beoordelen of de aangevallen uitspraak ook voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover dat ziet op het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 april 2022.

Verzoek aanpassing bestemmingsplan

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

5.       Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Iw Ow in werking getreden. Als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

Het verzoek om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend op 31 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Ambtshalve beoordeling bevoegdheid rechtbank

6.       Op grond van artikel 2 van Bijlage 2 van de Awb, zoals dat artikel gold ten tijde van belang, staat er beroep open bij de Afdeling tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan. Dat betekent dat de rechtbank niet bevoegd was om op het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 april 2022 te beslissen en dat beroep had moeten doorzenden naar de Afdeling. De uitspraak van de rechtbank van 8 december 2022 zal moeten worden vernietigd, voor zover is geoordeeld op het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 april 2022.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 4 april 2022

7.       Op de zitting is de vraag aan de orde geweest of het college bevoegd was om het verzoek van [appellant], om het bestemmingsplan aan te passen, niet in behandeling te nemen. De Afdeling overweegt hierover dat gelet op het Delegatiebesluit gemeente Bronckhorst 2022 (hierna: het delegatiebesluit), dat gold ten tijde van het besluit op bezwaar van 4 april 2022, het er voor moet worden gehouden dat het college bevoegd was om bij besluit van 20 januari 2022 het verzoek van [appellant] om het bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te Hengelo aan te passen, niet in behandeling te nemen. De raad van de gemeente Bronckhorst heeft in artikel 1, onder c, van het delegatiebesluit aan het college de bevoegdheid gedelegeerd om een aanvrager de gelegenheid te bieden een aanvraag aan te vullen binnen een gestelde termijn en om het besluit te nemen een aanvraag niet in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb.

8.       Over het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 april 2022 oordeelt de Afdeling als volgt.

De Afdeling is van oordeel dat het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 20 januari 2022 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden. Dat bezwaarschrift van [appellant] bevatte naar het oordeel van de Afdeling wel gronden als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb. Wat door [appellant] in dat bezwaarschrift is aangevoerd heeft niet rechtstreeks betrekking op het niet in behandeling nemen van zijn verzoek. Dat betekent echter niet dat die gronden niet als gronden van het bezwaar zijn te beschouwen, omdat uit dat bezwaarschrift wel volgt waarom het besluit van 20 januari 2022 volgens [appellant] onrechtmatig is. Het beroep is daarom gegrond. Het besluit van 4 april 2022 zal worden vernietigd. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaarschrift van [appellant] gericht tegen het besluit van 20 januari 2022.

Slot

9.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2022;

III.      verklaart de beroepen van [appellant] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 24 maart 2022 en 4 april 2022 gegrond;

IV.     vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 24 maart 2022, kenmerk Z127362/UIT22-133715, en van 4 april 2022, kenmerk Z127362/UIT22-133818;

V.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamphorst-Timmer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024

776


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon