Uitspraak 202202136/1/R4


Volledige tekst

202202136/1/R4.
Datum uitspraak: 1 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Limbricht, gemeente Sittard-Geleen
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 februari 2022 in zaak nr. 21/38 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij A] en [partij B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 20 maart 2024. Partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 2 februari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [partij A] woont aan de [locatie 1] (hierna: het perceel). [appellant] woont op het naastgelegen perceel, aan de [locatie 2]. Op het perceel zijn diverse bijgebouwen aanwezig. Naast de al op het perceel staande bijgebouwen heeft [partij A] op zijn perceel een garage gebouwd tegen de perceelgrens van [appellant]. Op 2 februari 2020 heeft [appellant] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de zonder vergunning gebouwde bouwwerken op het perceel van [partij A]. Een toezichthouder van de gemeente Sittard-Geleen heeft op 13 maart 2020 een controle uitgevoerd op het perceel van [partij A]. Tijdens deze controle is geconstateerd dat de afmetingen van de garage afwijken ten opzichte van de bouwtekeningen en dat het maximale bebouwingsoppervlak aan bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) wordt overschreden, zodat de bouwwerkzaamheden zijn verricht zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning. Dit was voor het college aanleiding om op 20 maart 2020 het voornemen bekend te maken aan [partij A] om handhavend te gaan optreden tegen de gebouwde garage. Dat heeft ertoe geleid dat [partij A] bebouwing heeft afgebroken, bestaande uit de overkapping voor houtopslag en een bergingsruimte, waardoor de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel is verkleind. Ook heeft [partij A] op 31 maart 2020 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van de garage, aanbouw en de overkapping. Bij besluit van 6 mei 2020 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend. Vervolgens heeft het college bij besluit van 10 juni 2020 het verzoek om handhaving afgewezen, omdat de garage, aanbouw en de overkapping zijn gelegaliseerd door verlening van de omgevingsvergunning en de overige bouwwerken zijn afgebroken.

Beoordeling hoger beroep

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daartoe voert [appellant] aan dat de omgevingsvergunning van 6 mei 2020 in strijd met het bestemmingsplan is verleend.

3.1.    [appellant] wenst met zijn verzoek om handhaving en zijn beroep gericht tegen het besluit van 20 november 2020 te bereiken dat het college handhavend op zal treden tegen een door hem gestelde overtreding op het perceel. Als het door [appellant] ingestelde beroep na inhoudelijke beoordeling zou slagen, kan hij dit doel bereiken. De vraag of sprake was van een overtreding, had de rechtbank dus niet moeten betrekken bij de beoordeling of procesbelang bestaat, maar bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. De Afdeling is, gelet daarop, van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] geen belang heeft bij beoordeling van het beroep.

Het betoog slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 20 november 2020 beoordelen in het licht van de in beroep aangevoerde beroepsgronden.

Beroep

5.       [appellant] betoogt dat de gevolgen van de verleende omgevingsvergunning vanuit ruimtelijk oogpunt bezien onaanvaardbaar zijn, omdat de bebouwing langs de erfgrens van het perceel zorgt voor schaduwwerking en verminderd zicht.

5.1.    Bij besluit van 6 mei 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de garage, aanbouw en overkapping. Deze omgevingsvergunning is in rechte onaantastbaar en is in deze procedure niet aan de orde. Vanwege de verleende omgevingsvergunning, was ten tijde van het besluit van 10 juni 2020 geen sprake van een overtreding. Gelet daarop heeft het college terecht geweigerd handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.       Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 november 2020 alsnog ongegrond verklaren.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

8.       De griffier van de Raad van State zal aan [appellant] met toepassing van artikel 8:114 van de Algemene wet bestuursrecht het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 februari 2022 in zaak nr. 21/38;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.      bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vermeulen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024

700-1096