Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202300615/1/V6

Uitspraak 202300615/1/V6

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:1488
Datum uitspraak
10 april 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [de vreemdeling] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. Bij besluit van 15 november 2021 heeft de staatssecretaris het door [de vreemdeling] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek van [de vreemdeling] afgewezen. Hij heeft daarvoor als reden gegeven dat haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ ten tijde van de beslissing op het verzoek was ingetrokken. Daarom bestaan er bedenkingen tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. [de vreemdeling] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 10 van de RWN. [de vreemdeling] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij meer heeft aangevoerd dan dat zij niet wist dat zij had moeten melden dat zij enig aandeelhouder was geworden van Met Shipping Pte. Ltd. Zij heeft namelijk ook aangevoerd dat er verder feitelijk niets is veranderd en dat de regelgeving en de informatie op de website van de IND hierover onduidelijk zijn.
  • Hoger beroep
  • Nederlanderschap

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202300615/1/V6.
Datum uitspraak: 10 april 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], wonend te Den Haag,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2022 in zaak nr. 21/8283 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2021 heeft de staatssecretaris het verzoek van [de vreemdeling] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 15 november 2021 heeft de staatssecretaris het door [de vreemdeling] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft de rechtbank het door [de vreemdeling] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [de vreemdeling] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 december 2023, waar [de vreemdeling], bijgestaan door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Maastricht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.P.G.H. Belluz en mr. J.E.J. ten Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek van [de vreemdeling] afgewezen. Hij heeft daarvoor als reden gegeven dat haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ ten tijde van de beslissing op het verzoek was ingetrokken. Daarom bestaan er bedenkingen tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN).

2.       [de vreemdeling] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de naturalisatiezaak niet hoefde aan te houden in afwachting van de verblijfsrechtelijke procedure.

Dit betoog behoeft geen bespreking meer, omdat [de vreemdeling] dit betoog op de zitting bij de Afdeling heeft ingetrokken.

3.       [de vreemdeling] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 10 van de RWN. [de vreemdeling] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij meer heeft aangevoerd dan dat zij niet wist dat zij had moeten melden dat zij enig aandeelhouder was geworden van Met Shipping Pte. Ltd. Zij heeft namelijk ook aangevoerd dat er verder feitelijk niets is veranderd en dat de regelgeving en de informatie op de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst hierover onduidelijk zijn.

3.1.    Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN luidt: ‘Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker […] tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan […]’.

Artikel 10 van de RWN luidt: ‘Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.’

3.2.    De afwijzing van het naturalisatieverzoek van [de vreemdeling] berust op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. Dit artikellid wordt niet genoemd in artikel 10 van de RWN. Zoals de staatssecretaris in het besluit van 15 november 2021 terecht zegt, kan hij daarom niet van dit artikellid afwijken met toepassing van artikel 10 van de RWN. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2876, onder 4.1. Het beroep van [de vreemdeling] op artikel 10 van de RWN kan dus niet slagen. Met haar inhoudelijke oordeel dat de door [de vreemdeling] naar voren gebrachte omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 10 van de RWN, heeft de rechtbank dit niet onderkend. Bovendien gaan de door [de vreemdeling] naar voren gebrachte omstandigheden over de intrekking van de verblijfsvergunning. De staatssecretaris behoeft zich bij de besluitvorming in de naturalisatieprocedure niet te vergewissen van de deugdelijkheid van de intrekking. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1460, onder 4.2.

Het betoog slaagt niet.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.

w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Ark
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2024

861


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon