Uitspraak 202400984/2/V3


Volledige tekst

202400984/2/V3.
Datum uitspraak: 27 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2024 in zaken nrs. NL22.187 en NL22.186 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2021 heeft de staatssecretaris de aan de man verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Bij besluit van 3 juni 2021 heeft de staatssecretaris de aan de vrouw en het kind verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en hen opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

Bij besluiten van 9 december 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, de besluiten van 2 juni 2021 en van 3 juni 2021 herroepen en bepaald dat de uitspraak in plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter in deze vreemdelingenrechtelijke procedure geldt totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

2.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst  totdat de Afdeling op het door hem ingestelde hoger beroep heeft beslist.

3.       Gelet op wat is aangevoerd en gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdelingen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter de door de staatssecretaris verzochte voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank wordt dus geschorst. Daarom  herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 2 juni 2021 en 3 juni 2021 onverkort gelden totdat de Afdeling op het hoger beroep van de staatssecretaris heeft beslist.

4.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2024 in zaken nrs. NL22.187 en NL22.186 totdat de Afdeling op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Willems
voorzieningenrechter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024

846-1058