Uitspraak 202306974/2/R1


Volledige tekst

202306974/2/R1.
Datum uitspraak: 27 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,
verzoeker,

en

1.       het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

2.       de raad van de gemeente Zaanstad,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor het bouwen van twee woongebouwen aan de Badhuisweg 1 in Zaandam.

Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Badhuisweg 1" vastgesteld.

Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee woongebouwen en het maken, hebben of veranderen van een uitweg.

Tegen deze besluiten heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Woningstichting Rochdale heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 22 februari 2024, waar zijn verschenen:

- [verzoeker];

- de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. S.A.J. van der Horst, advocaat te Hoofddorp, vergezeld door drs. M. Fonteijn en M. van der Varst;

- Rochdale, vertegenwoordigd door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [gemachtigden].

Overwegingen

1.       De bestreden besluiten, die gecoördineerd zijn voorbereid en bekendgemaakt, maken de bouw van twee woontorens met maximaal 120 woningen aan de Badhuisweg 1 in Zaandam mogelijk. Deze locatie ligt op het Zaaneiland. Rochdale is initiatiefnemer van deze ontwikkeling. [verzoeker] woont ook op het Zaaneiland op ongeveer 265 meter van het plangebied.

2.       [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter de bestreden besluiten te schorsen om te voorkomen dat het in het plangebied aanwezige kantoorgebouw, het William Pont-kantoor, wordt gesloopt. Volgens [verzoeker] heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van dit gebouw en met de in de grond aanwezige archeologische waarden. Ook wijst hij op de aanwezigheid van vleermuizen in het gebouw.

3.       Bij brief van 19 februari 2024 heeft Rochdale verklaard dat zij voornemens is om na de uitspraak op het verzoek het bestaande kantoorgebouw te slopen en met het oog daarop een sloopmelding in te dienen. Rochdale zal met de start van de vergunde bouwwerkzaamheden wachten tot na de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure.

4.       Het spoedeisend belang van [verzoeker] is gelegen in het voorkomen van de sloop van het kantoorgebouw. De vraag is of met het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening kan worden voorkomen dat het kantoorgebouw wordt gesloopt. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

5.       Omdat [verzoeker] gedurende de beroepstermijn het verzoek om voorlopige voorziening heeft gedaan, vigeert momenteel als tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Zaanstad nog de planregeling uit het bestemmingsplan "Oude Haven". Hierin is geen specifieke regeling voor het slopen van dit kantoorgebouw opgenomen, zodat het Omgevingsplan momenteel niet in de weg aan sloop staat. De besluiten waartegen het verzoek van [verzoeker] is gericht, in het bijzonder het vastgestelde bestemmingsplan, brengen daarin geen verandering. De bestreden besluiten hebben in dat opzicht dus geen gevolgen voor de mogelijkheid om het kantoorgebouw te slopen. Dit betekent dat ook als de voorzieningenrechter de besluiten van de raad en het college zou schorsen, zoals [verzoeker] heeft verzocht, daarmee de mogelijkheid om het kantoorpand te slopen, niet wordt weggenomen.

6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.       De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Jurgens
voorzieningenrechter

w.g. Boer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024

745