Uitspraak 202307549/2/A3


Volledige tekst

202307549/2/A3.
Datum uitspraak: 27 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Utrecht,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 5 december 2023 in zaak nrs. 23/1730, 23/1731, 23/997, 23/2917, 23/2248 en 23/4564 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluiten van 17 november 2022, 23 februari 2023 en 19 mei 2023 heeft het college beslist op een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) van [partij], en besloten documenten over het bouwkundig conflict tussen het gemeentebestuur en de eigenaar van het pand [locatie 1] openbaar te maken.

Bij besluiten van 5 april 2023, 22 juni 2023 en 14 augustus 2023 heeft het college de door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de door [verzoeker] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 februari 2024, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Nijmegen, en mr. E.J.B. Rooke, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.       [partij] heeft namens het Algemeen Dagblad verzocht om openbaarmaking van alle documenten over het bouwkundig conflict tussen het gemeentebestuur en de eigenaar van het pand aan de [locatie 1]. Er wordt specifiek verzocht om alle documenten die berusten bij de gemeente Utrecht met betrekking tot de panden aan de [locatie 2], [locatie 1] en [locatie 3] vanaf 1 november 2017. [verzoeker] is de eigenaar van het pand aan de [locatie 1].

3.       [verzoeker] is het niet eens met openbaarmaking van de adresgegevens. Hij is gedurende het conflict met de gemeente een groot aantal juridische procedures tegen de gemeente gestart, waardoor hij recht heeft op hoge bedragen aan dwangsommen van de gemeente. Als het adresgegeven [locatie 1] openbaar wordt gemaakt, dan kan de link tussen hem en de dwangsommen worden gelegd. Ook de adressen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] zouden niet openbaar gemaakt mogen worden. Door berichtgeving in de media is namelijk bekend dat het gaat om naastgelegen panden. Openbaarmaking van die adressen leidt dus ook tot bekendmaking van het adres [locatie 1] en herleidbaarheid naar [verzoeker]. Volgens [verzoeker] is dat een onaanvaardbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

4.       De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft overwogen dat informatie over het bouwkundig conflict en de geëscaleerde situatie daaromtrent in beginsel publieke informatie is, waarvoor het uitgangspunt geldt dat dit openbaar wordt gemaakt, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond.

Doordat niet uitgesloten is dat door de combinatie van informatie uit de openbaar te maken documenten de link gelegd kan worden tussen [verzoeker] en het hoge bedrag aan dwangsommen, is de persoonlijke levenssfeer van [verzoeker] in het geding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van openbaarmaking van de informatie echter zwaarder dan het belang van [verzoeker]. De voorzieningenrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Het verzoek van [verzoeker]

5.       [verzoeker] is het oneens met het oordeel van de rechtbank dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Hij heeft daarom hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. Op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank mag het college echter overgaan tot publicatie van de verzochte documenten, inclusief de adresgegevens. Als de adresgegevens openbaar gemaakt worden heeft dat onomkeerbare gevolgen. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht te bepalen dat het college geen documenten mag publiceren waarin de adressen [locatie 2], [locatie 1], [locatie 3] en/of [locatie 4] leesbaar worden weergegeven.

5.1.    De rechtsvragen in deze zaak lenen zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het hoger beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.

5.2.    Als het college de adresgegevens openbaar zou maken voordat er een uitspraak in de bodemprocedure is gedaan, heeft het hoger beroep van [verzoeker] feitelijk geen betekenis meer. Van een zwaarwegend algemeen belang bij openbaarmaking van de adresgegevens is niet gebleken. Daarom zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat het college de adresgegevens niet feitelijk openbaar mag maken voordat op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter zal bevorderen dat de hoofdzaak zo snel mogelijk zal worden behandeld.

Conclusie

6.       Het verzoek wordt toegewezen. De voorzieningenrechter zal de navolgende voorlopige voorziening treffen.

7.       Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de adressen [locatie 2], [locatie 1], [locatie 3] en [locatie 4] niet feitelijk openbaar mag maken voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;

II.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.403,59, waarvan € 1.750,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Borman
voorzieningenrechter

w.g. Neuwahl
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024

280-1000