Uitspraak 202307339/2/R3


Volledige tekst

202307339/2/R3.
Datum uitspraak: 27 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[verzoeker], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),
verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college het wijzigingsplan "’s-Gravendeelsedijk 175" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

B.V. Zeehavenbedrijf Dordrecht (hierna: ZHD) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoeker] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 februari 2024, waar zijn verschenen:

- [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. R.P. Gasseling en mr. M.A. Pieters, beiden advocaat te Rotterdam, [vijf verzoekers];

- het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma en mr. P. Blom, beiden advocaat te Den Haag, E. Hoff, M. Moerman en S. Ooms;

- ZHD, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt en mr. T.J. Binder, beiden advocaat te Rotterdam, [gemachtigden].

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 22 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

3.       Het plangebied ligt aan de westkant van Dordrecht en omvat een deel van het bedrijventerrein Dordt-West in Dordrecht. Het bedrijventerrein Dordt-West vormt samen met het bedrijventerrein Groote Lindt in Zwijndrecht één industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Om dit industrieterrein ligt een geluidzone. Voor beide delen van dit industrieterrein is een bestemmingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan "Zeehavens Dordrecht" (hierna: het moederplan) is voor het terrein Dordt-West een regeling opgenomen voor de geluidruimteverdeling.

ZHD heeft in het plangebied een op- en overslagbedrijf voor droge bulkgoederen, containers, stukgoederen en breakbulk. ZHD heeft op de huidige Hometerminal een groot ruimtegebrek. Daarom heeft ZHD het voornemen om de terminal uit te breiden met een terminal op de PWA-kade en de bestaande terminal te optimaliseren. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken, is onder meer een herverdeling van de in het moederplan vastgestelde geluidruimte nodig. Daarom heeft het college het wijzigingsplan vastgesteld.

De gronden van het moederplan zijn onderverdeeld in verschillende deelgebieden, waaronder deelgebieden D en F. Deelgebied D betreft de gronden van ZHD en deelgebied F van Havenbedrijf Rotterdam. In het wijzigingsplan worden de imissiebudgetten voor deelgebieden D en F aangepast. Vanuit deelgebied F wordt geluidimmissiebudget beschikbaar gesteld voor deelgebied D. Daarbij is toepassing gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 20.7.7 van de regels van het moederplan.

4.       [verzoeker] is gevestigd in de nabijheid van het plangebied van het wijzigingsplan. Hij vreest dat hij door het wijzigingsplan in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd.

Spoedeisend belang

5.       [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift en op de zitting toegelicht dat de geluidruimte is verdeeld in het moederplan en dat die ruimte schaars is, terwijl hij de met het wijzigingsplan overgehevelde geluidruimte nodig heeft voor de toekomstige uitbreidingen van zijn bedrijfsvoering. In dat verband wijst [verzoeker] op de door Ardea opgestelde notitie van 8 februari 2023 waarin staat dat sprake is van een substantiële geluidbudgetverschuiving die oploopt tot 60%. Wanneer zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen en het wijzigingsplan wordt geschorst, is het volgens hem aannemelijk dat er een andere verdeling van de geluidruimte zal komen en dat hij zijn bedrijfsvoering kan uitbreiden. Wanneer zijn verzoek wordt afgewezen en het wijzigingsplan niet wordt geschorst, zal [verzoeker] geruime tijd moeten wachten voordat in rechte vast komt te staan of het college heeft kunnen besluiten het wijzigingsplan vast te stellen. Hierdoor wordt hij de uitbreiding van zijn bedrijfsvoering bemoeilijkt. [verzoeker] moet namelijk komend halfjaar beslissingen gaan nemen over de uitbreidingen van zijn bedrijfsvoering. Als bovendien geen geluidruimte aan hem beschikbaar wordt gesteld, wordt hij gedwongen tot het treffen van kostbare maatregelen of moet hij zelfs afzien van de uitbreidingen van zijn bedrijfsvoering, aldus [verzoeker].

6.       De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7.       Het spoedeisend belang van het verzoek van [verzoeker] is gelegen in de omstandigheid dat hij niet geruime tijd wil wachten voordat vast komt te staan of het college heeft kunnen besluiten om het wijzigingsplan vast te stellen. [verzoeker] wil namelijk eerder duidelijkheid over het wijzigingsplan in verband met mogelijkheden om zijn bedrijfsvoering op korte termijn uit te breiden. Deze omstandigheid biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vergt en dat de uitspraak in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Daarbij is van belang dat er met een schorsing van het wijzigingsplan geen duidelijkheid zal zijn over de mogelijkheden tot uitbreiding van de bedrijfsvoering van [verzoeker], omdat deze schorsing er niet toe leidt dat er geluidruimte voor zijn bedrijf beschikbaar komt. Dit betekent dat, omdat ook niet is gebleken van andere argumenten voor het aannemen van een spoedeisend belang, met het verzoek om voorlopige voorziening geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Conclusie

8.       Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Franke, griffier.

w.g. Knol
voorzieningenrechter

w.g. Franke
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024

926