Uitspraak 202307879/1/V3


Volledige tekst

202307879/1/V3.
Datum uitspraak: 23 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 december 2023 in zaak nr. NL23.38206 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 21 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling is in bewaring gesteld krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De vreemdeling is op 5 december 2023, aansluitend op strafrechtelijke detentie, om 09.05 uur aangekomen op het politiebureau te Assen voor verhoor. Op diezelfde dag is hij om 14.55 uur in bewaring gesteld. Op 6 december 2023 om 12.09 uur heeft de vreemdeling het politiebureau verlaten met de Dienst Vervoer en Ondersteuning en hij is om 14.54 uur aangekomen op het detentiecentrum in Rotterdam.

2.       Vreemdelingenbewaring moet in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, ten uitvoer worden gelegd in een speciale inrichting. In geschil is wanneer de termijn voor overbrenging naar die inrichting begint te lopen. De vreemdeling betoogt dat dit is op het moment van aankomst op het politiebureau en niet op het moment waarop de maatregel van bewaring wordt opgelegd, zoals de rechtbank heeft aangenomen. De vreemdeling voert aan dat de termijn van overbrenging daarom bij hem ongeveer 30 uur heeft geduurd in plaats van 24 uur zoals de rechtbank overweegt, en dat is volgens hem te lang.

2.1.    Dit betoog wordt niet gevolgd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1813, onder 4.2, moet de staatssecretaris na de inbewaringstelling enige tijd worden gegund om een plaats in een huis van bewaring en het vervoer daarnaartoe te regelen en is daarvoor een termijn van 24 uur in ieder geval acceptabel. Het moet daarbij vaststaan dat de vreemdeling dient te worden gebracht naar een huis van bewaring. Op het moment dat de vreemdeling aankwam op het politiebureau stond dit nog niet vast. De termijn van overbrenging begint dus op het moment van de inbewaringstelling. Dit was voor de vreemdeling op 5 december 2023 om 14.55 uur. Tot die tijd was hij op het politiebureau opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Deze ophouding mag maximaal zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens niet wordt meegerekend. De periode van de ophouding gaat vooraf aan de inbewaringstelling en telt daarom niet mee voor de overbrengingstermijn van 24 uur die is bedoeld in de uitspraak van 13 augustus 2021. Niet in geschil is dat, daarvan uitgaande, de overbrenging tijdig heeft plaatsgevonden.

2.2.    Daarnaast is, anders dan de vreemdeling stelt, de tijd tussen het bewaringsgehoor en het opleggen van de bewaringsmaatregel niet te groot. Het bewaringsgehoor is begonnen om 12.22 uur en geëindigd om 14.00 uur. De maatregel van bewaring is opgelegd om 14.55 uur. Deze tussenliggende tijd is aanvaardbaar en de vreemdeling is daardoor ook niet te lang op het politiebureau opgehouden geweest. De vreemdeling heeft verder niet aangevoerd hoe hij in zijn belangen zou zijn geschaad.

3.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Steendijk
voorzitter

w.g. Dallinga
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2024

18-1073