Uitspraak 202203276/1/V1


Volledige tekst

202203276/1/V1.
Datum uitspraak: 22 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 april 2022 in zaak nr. 21/2434 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen en geweigerd haar ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.

Bij besluit van 1 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T.F.W. Kouwenhoven, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De vreemdeling heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De staatssecretaris heeft haar bij besluit van 4 juni 2018 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘medische behandeling’. Bij het besluit van 5 augustus 2020 heeft de staatssecretaris geweigerd de beperking van die verblijfsvergunning te wijzigen naar ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Volgens de staatssecretaris berust het besluit van 4 juni 2018 namelijk op een ambtelijke misslag en voldeed de vreemdeling niet aan de vereisten voor de vergunning die hij haar heeft verleend. Ook heeft de staatssecretaris geweigerd de vreemdeling ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de staatssecretaris het advies van het Bureau Medische Advisering van 20 mei 2020 (hierna: het BMA-advies) en de BMA-nota’s van 7 juli 2020, 2 november 2020 en 13 december 2021 (hierna: de BMA-nota’s) betrokken.

2.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het BMA-advies en de BMA-nota’s zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit het medisch dossier van de vreemdeling blijkt dat zij een kwetsbaar psychisch evenwicht heeft, daardoor beperkt zelfredzaam is, de behandelaars verschillende keren te kennen hebben gegeven dat de vreemdeling langdurige en intensieve zorg nodig heeft en dat eerdere cognitieve gedragstherapie (hierna: CGT-behandeling) niet is geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de BMA-nota’s niet dat het BMA de medische informatie van de behandelaars heeft gekoppeld aan de voorgeschreven alternatieve behandeling in Nigeria. De rechtbank heeft de staatssecretaris daarom opgedragen het BMA opnieuw om advies te vragen.

3.       De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank. De staatssecretaris voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2226, onder 3.3, terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er weliswaar een verschil van inzicht is tussen het BMA en de behandelaars, maar dat dit op zichzelf niet betekent dat het BMA-advies en de BMA-nota’s onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.

3.1.    In het BMA-advies staat dat de vreemdeling klachten heeft die voortkomen uit een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis. Volgens het BMA leidt het uitblijven van behandeling naar verwachting tot een toename van angst- en stemmingsklachten, valt een toename van suïcidaliteit niet uit te sluiten en zou het kunnen komen tot concrete handelingen. Bij het uitblijven van behandeling verwacht het BMA daarom een medische noodsituatie. De in Nigeria beschikbare behandeling, waaronder een CGT-behandeling en zo nodig een (crisis)opname, is niet één op één vergelijkbaar met de behandeling die de vreemdeling in Nederland krijgt, maar is wel voldoende om een medische noodsituatie te voorkomen, aldus het BMA.

3.2.    Uit de brieven van de behandelaars van 22 juni 2020, 12 oktober 2020 en 29 november 2021 blijkt dat CGT-behandeling geen geschikte vervanging is van de schematherapie die de vreemdeling in Nederland krijgt en dat CGT-behandeling geen verbetering kan geven. Tussen partijen is niet in geschil dat de in Nigeria aanwezige behandeling van mindere kwaliteit is dan de behandeling die in Nederland kan worden gegeven. Dat is in de BMA-nota van 13 december 2021 ook uitdrukkelijk onder ogen gezien. Zoals de staatssecretaris echter terecht aanvoert, is het feit dat de aanwezige behandeling in Nigeria van mindere kwaliteit is dan de behandeling die de vreemdeling in Nederland kan krijgen, niet relevant; dat is immers niet de maatstaf. De maatstaf is of de in Nigeria beschikbare behandeling voldoende is om een medische noodsituatie te voorkomen. En dat is ook wat het BMA in het advies en de nota’s heeft beoordeeld. Het BMA is bij die beoordeling kenbaar ingegaan op de brieven van de behandelaars en heeft geconcludeerd dat uit die brieven niet blijkt dat de CGT-behandeling in Nigeria onvoldoende is om een medische noodsituatie te voorkomen. In het licht daarvan heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het BMA-advies en de BMA-nota’s onzorgvuldig tot stand zijn gekomen op het punt van de voorgeschreven alternatieve behandeling in Nigeria.

3.3.    De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 april 2022 in zaak nr. 21/2434;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Steendijk
voorzitter

w.g. Van den Oosterkamp
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2024

941