Uitspraak 202201820/1/V2


Volledige tekst

202201820/1/V2.
Datum uitspraak: 22 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 maart 2022 in zaak nr. NL21.19134 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2021 heeft de staatssecretaris bepaald dat de vreemdeling wordt overgedragen aan Duitsland.

Bij mondelinge uitspraak van 18 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Hoger beroep

1.       De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling daarvan, aangezien hij op 17 december 2021 aan Duitsland is overgedragen. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij nog altijd belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

1.1.    De in de grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 19 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2474, onder verwijzing naar artikel 29 van de Dublinverordening, beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij zal zij het besluit toetsen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

Beroep

3.       De vreemdeling is op 19 oktober 2021 in Nederland door agenten staande gehouden en aansluitend strafrechtelijk gedetineerd. De Duitse autoriteiten hebben het op 26 november 2021 gedane terugnameverzoek van de staatssecretaris op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, geaccepteerd.

4.       De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat Nederland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Hij heeft namelijk eerder als minderjarige in Nederland asiel aangevraagd en zijn strafrechtelijke detentie levert een verblijfstitel op in de zin van de Dublinverordening, aldus de vreemdeling.

4.1.    Het betoog faalt. De vreemdeling heeft als minderjarige tweemaal in Nederland asiel gevraagd. Deze aanvragen zijn buiten behandeling gesteld, omdat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. Daarna heeft hij op 10 april 2019 asiel gevraagd in Duitsland. Duitsland heeft deze asielaanvraag in behandeling genomen. De vraag of Duitsland zich op dat moment terecht verantwoordelijk heeft geacht, kan in deze procedure niet meer aan de orde komen. Vervolgens is de vreemdeling op 19 oktober 2021 in Nederland staande gehouden. Hij heeft in Nederland niet om asiel verzocht, zodat artikel 24 van de Dublinverordening op hem van toepassing is. Duitsland heeft op 30 november 2021 het terugnameverzoek van Nederland aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

Omdat het gaat om een terugname en niet om een overname, is in deze procedure tegen het overdrachtsbesluit niet aan de orde of Duitsland op basis van de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag van de vreemdeling (zie het arrest van het Hof van Justitie van 2 april 2019, H. en R., ECLI:EU:C:2019:280, punten 57-61 en 65-80). Doorslaggevend is dat Duitsland zijn verplichting om de vreemdeling terug te nemen overeenkomstig artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening heeft geaccepteerd en dat de staatssecretaris bij het indienen van het terugnameverzoek heeft voldaan aan de vereisten van artikel 24 van de Dublinverordening. Het feit dat de vreemdeling eerder tweemaal een asielverzoek heeft ingediend waarvoor Nederland verantwoordelijk was, is daarom niet relevant. Ook het betoog van de vreemdeling dat hij aan zijn strafrechtelijke detentie in Nederland rechtmatig verblijf kan ontlenen, slaagt niet.

5.       Verder heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij in Duitsland in strijd met artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het EU Handvest, zal worden behandeld, omdat zijn asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, hij in Duitsland meermaals in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en de Duitse autoriteiten tegen hem een inreisverbod hebben uitgevaardigd.

5.1.    Alleen al omdat de vreemdeling inhoudelijk geen omstandigheden aanvoert om aannemelijk te maken dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, faalt dit betoog.

Conclusie

6.       Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 maart 2022 in zaak nr. NL21.19134;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Steendijk
voorzitter

w.g. Graat
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2024

307-1024