Uitspraak 202204714/6/R1


Volledige tekst

202204714/6/R1.
Datum uitspraak: 13 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],
verzoekster,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,
verweerder.

Openbare zitting gehouden op 13 februari 2024 om 10:00 uur.

Tegenwoordig:
Staatsraad mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter
griffier: mr. N. Janse

Verschenen:
[verzoekster], vertegenwoordigd door mr. A.P. IJkelenstam, advocaat te Amsterdam;
de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. Bouterse.
Voorts zijn Hotel Museumzicht B.V. en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden] ter zitting als partij gehoord.

Het beroep richt zich tegen de besluiten van de raad van 13 juli 2022 en 9 november 2023, waarbij het bestemmingsplan "Museumkwartier-Valeriusbuurt 2022" is vastgesteld. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verzoeker heeft verzocht om schorsing van artikel 17.3.4 en artikel 43.1, aanhef en onder j, van de regels van het bestemmingsplan "Museumkwartier-Valeriusbuurt 2022".

Op 5 oktober 2021 is aan haar een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een hotel op het adres [locatie]. Deze is door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bij besluit op bezwaar van 26 juli 2022 in stand gelaten. Bij uitspraak van 27 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7554, heeft de rechtbank Amsterdam de beroepen tegen het besluit op bezwaar van 26 juli 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan "Museumkwartier-Valeriusbuurt 2022", omdat de mogelijkheid om het adres te gebruiken als hotel in het bestemmingsplan is wegbestemd. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de hiervoor genoemde artikelen, omdat zij vreest dat het college in de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar de aan haar op 5 oktober 2021 verleende omgevingsvergunning zal herroepen wegens strijd met het bestemmingsplan "Musemkwartier-Valeriusbuurt 2022". Dit voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op haar beroep in de bodemprocedure over dit bestemmingsplan.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2010, onder 2.2, en de uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2619, onder 3.1, volgt, kort gezegd, dat, als een aanvraag voor een omgevingsvergunning om te bouwen op het moment van indiening voldoet aan het dan geldende bestemmingsplan, de aanvraag aan dit bestemmingsplan wordt getoetst. Dat is ook zo, als op het moment van het besluit op bezwaar een ander bestemmingsplan in werking is getreden waarmee de aanvraag in strijd is.

Partijen zijn het erover eens dat de aanvraag van verzoeker in overeenstemming is met het ten tijde van de aanvraag vigerende bestemmingsplan "Museumkwartier Valeriusbuurt, zoals vastgesteld op 25 mei 2011. Gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak moet er bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar aan dit bestemmingsplan uit 2011 getoetst worden. Dit betekent dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening met betrekking tot het nieuwe bestemmingsplan.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Besselink
voorzieningenrechter

w.g. Janse
griffier