Uitspraak 202301513/1/R1


Volledige tekst

202301513/1/R1.
Datum uitspraak: 14 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Gennep,

2.       [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Gennep,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gennep,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Gennep" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2024, waar [appellant sub 2] en anderen bij monde van [gemachtigde A], bijgestaan door mr. drs. B.P.M. Dirkx, advocaat te Venray, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Peters, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de erven van [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 24 mei 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op de locatie [locatie] in Gennep staat een voormalige champignonkwekerij die in gebruik is als opslagloods. Het plan voorziet in de realisatie van vier seniorenwoningen op deze locatie. De erven zijn eigenaar van de gronden; een aannemer is initiatiefnemer van het plan.

3.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wonen aan de Burgemeester van Banningstraat in de directe omgeving van het plangebied. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen, omdat zij vrezen voor een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat.

4.       De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 1 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1668, het verzoek van [appellant sub 2] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Toetsingskader

5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beoordeling van het beroep

6.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen, kort samengevat weergegeven, dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen, dat het plan zal leiden tot verlies van uitzicht, privacy en lichtinval en dat evidente privaatrechtelijke belemmeringen aan de uitvoering van het plan in de weg staan.

6.1.    De gronden die [appellant sub 2] en anderen in beroep hebben aangevoerd, zijn dezelfde als de gronden die zij bij de voorzieningenrechter hebben aangevoerd. De voorzieningenrechter is uitvoerig op al deze gronden ingegaan. Het beroep van [appellant sub 1] bevat geen andere gronden dan de gronden die door [appellant sub 2] en anderen in hun beroep en verzoek om een voorlopige voorziening zijn aangevoerd.

6.2.    De Afdeling ziet geen aanleiding om over de betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. De Afdeling verwijst naar de overwegingen uit de uitspraak van 1 mei 2023.

De betogen slagen niet.

Conclusie

7.       De beroepen zijn ongegrond.

8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Zwemstra
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024

91-1093