Uitspraak 202204220/1/R2


Volledige tekst

202204220/1/R2.
Datum uitspraak: 14 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellant sub 1], wonend te Echt, gemeente Echt-Susteren,
2.       [appellant sub 2], wonend te Echt, gemeente Echt-Susteren,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juni 2022 in zaken nrs. 20/2178 en 20/2251 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een landschapsplan voor de aanleg van landgoed “De Commel” aan de Gebroekerstraat in Echt.

Bij besluit van 15 januari 2020 heeft het college aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee villa’s, de aanleg van een uitweg en het realiseren van een zonneweide met zonnepanelen aan de Gebroekerstraat in Echt op voornoemd landgoed.

Bij besluiten van 15 juli 2020 heeft het college het door [appellant sub 1] tegen deze omgevingsvergunningen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2022 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep en [appellant sub 2] incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 december 2023, waar [appellant sub 1], via een videoverbinding, [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M.C. Cloodt, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 5 november 2019 en 27 november 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [appellant sub 2] wil aan de Gebroekerstraat in Echt een landgoed van ongeveer 10 hectare realiseren (landgoed “De Commel”). Hij wil op het terrein twee villa’s bouwen, een uitweg aanleggen en een zonneweide realiseren. De overige gronden worden ingericht als landgoed en opengesteld voor het publiek. Op 6 januari 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van landgoed “De Commel” zoals dat is weergegeven op de kaart die als bijlage 2 bij de planregels van het bestemmingsplan "Landgoed De Commel" (hierna: het bestemmingsplan) is gevoegd. De grondslag van deze vergunning is artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo (het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en het aanleggen van een weg). Op 15 januari 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de twee villa’s, de aanleg van een uitweg en het realiseren van een zonneweide met zonnepanelen op het landgoed. Deze vergunning is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (bouwen, gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en het maken van een uitweg). Bij de vergunningverlening is voor de hoogte van een houten muur tussen de villa’s met toepassing van artikel 10.1, aanhef en onder f, van de planregels afgeweken van het bestemmingsplan.

3.       Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het college de omgevingsvergunningen heeft mogen en gedeeltelijk heeft moeten verlenen. [appellant sub 1] is het niet eens met de locatie van de zonneweide, het aantal zonnepanelen en de locatie van houtopstanden.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 1] belanghebbende is en zal daarom hierna als eerste worden besproken.

Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

- is [appellant sub 1] belanghebbende?

4.       [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant sub 1] als belanghebbende bij de omgevingsvergunningen kan worden aangemerkt. Hij voert aan dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de zonnepanelen minimaal 125 m en maximaal 210 m bedraagt. Daarnaast is er volgens [appellant sub 2] vanuit de woning en tuin van [appellant sub 1] geen zicht op de zonnepanelen, omdat daartussen 1,5 m hoge hagen zijn gelegen en de op grond geplaatste zonnepanelen slechts 30 cm hoog zijn.

4.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4.2.    Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren

afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

4.3.    De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellant sub 1] schuin tegenover de percelen van het landgoed is gelegen en beide slechts door een smalle weg van elkaar zijn gescheiden. Omdat het perceel van [appellant sub 1] op een korte afstand van het landgoed is gelegen en hij daarop zicht heeft, is [appellant sub 1] belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor de aanleg van het landgoed.

Ook is [appellant sub 1] naar het oordeel van de Afdeling belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor onder meer de zonneweide. Gelet op de overgelegde foto’s en de toelichting daarop is voldoende aannemelijk dat [appellant sub 1] zicht op de zonnepanelen heeft. De vergunde zonneweide met een oppervlakte van ongeveer 1.100 m2 is gelegen in een open landschap. De hagen beperken weliswaar het uitzicht vanaf de begane grond van de woning van [appellant sub 1] en vanuit zijn tuin, maar hij heeft ook vanaf de bovenverdieping van zijn woning en het dakterras over de hagen zicht op de zonneweide.

Het betoog slaagt niet.

- conclusie incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

5.       Uit het voorgaande volgt dat [appellant sub 1] belanghebbende is bij de omgevingsvergunningen voor de realisatie van het landschapsplan en de zonneweide. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Hoger beroep van [appellant sub 1]

- zonnepanelen in strijd met het bestemmingsplan?

6.       [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het bestemmingsplan zonnepanelen op de beoogde locatie toestaat. De zonnepanelen zijn gepland op gronden met de bestemming "Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble". Volgens [appellant sub 1] geeft het bestemmingsplan geen mogelijkheid om zonne-energie voor eigen gebruik op te wekken op gronden die (tevens) deze bestemming hebben. De rechtbank heeft ten onrechte onder verwijzing naar artikel 5.2 van de planregels overwogen dat de bouwregels van deze dubbelbestemming zonnepanelen niet verbiedt. Daarmee gaat de rechtbank volgens [appellant sub 1] voorbij aan artikel 5.7.1, aanhef en onder d en f, van de planregels waaruit volgt dat het plaatsen van zonnepanelen verboden is.

6.1.    Op grond van het geldend bestemmingsplan rust op de locatie van de zonneweide zowel de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" als de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble". De locatie van de zonneweide is gelegen in het vlak op de verbeelding met de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1". Uit de artikelen 3.1, aanhef en onder d, en 3.2.1 van de planregels over de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" volgt dat de specifieke bouwaanduiding is opgenomen om zonnepanelen voor eigen gebruik toe te staan.

6.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble" niet in de weg staat aan de zonnepanelen. Uit artikel 5.1 van de planregels volgt immers dat gronden met deze dubbelbestemming, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede zijn bestemd voor behoud en bescherming van de waarde van het ensemble van cultuurhistorisch waardevolle landschappen, erfgoed en bouwwerken. Dit betekent dat zonnepanelen voor eigen gebruik -wat is toegestaan volgens de enkelbestemming - niet in strijd zijn met de dubbelbestemming. Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert over de artikelen 5.2 en 5.7.1 van de planregels over de dubbelbestemming leidt niet tot een ander oordeel.

In artikel 5.2 is voor voornoemde dubbelbestemming alleen bepaald dat gebouwen uitsluitend binnen onder meer de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" mogen worden gerealiseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit niet betekent dat andere bouwwerken dan gebouwen op gronden met deze bouwaanduiding verboden zijn. In artikel 5.7.1 van de planregels is bepaald dat het is verboden de daarin genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. Dit verbod geldt dus niet voor bouwwerken, zoals een zonneweide met zonnepanelen. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de zonnepanelen op de beoogde locatie op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan. Wat [appellant sub 1] verder nog over dit punt heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

- zonnepanelen voor eigen gebruik?

7.       [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vergunde 640 zonnepanelen niet voor eigen gebruik zijn en daarom in strijd met het bestemmingsplan zijn. Hij voert aan dat het college noch [appellant sub 2] heeft onderbouwd waarom er 640 panelen nodig zouden zijn om in het eigen gebruik te voorzien. Omdat het hoge aantal zonnepanelen ten koste gaat van de bestemming "Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble", had het college nader onderzoek moeten verrichten naar de juistheid van de in de aanvraag verstrekte gegevens over het elektriciteitsgebruik. [appellant sub 1] heeft berekend dat de twee woningen, de waterpomp voor het landgoed en de elektrische voertuigen in totaal 24.000 kWh gebruiken. Voor dit eigen gebruik zijn 77 panelen van 350 Wp nodig. Volgens [appellant sub 1] heeft de rechtbank dan ook ten onrechte voldoende aannemelijk geacht dat de zonnepanelen alleen voor eigen gebruik zijn.

7.1.    Blijkens de vergunde aanvraag heeft de zonneweide 640 zonnepanelen met een totale oppervlakte van ongeveer 1.100 m2. De zonneweide voldoet dus aan artikel 3.2.2 van de planregels waarin een maximale oppervlakte van 2.200 m2 voor zonnepanelen is opgenomen. De vraag is of sprake is van zonnepanelen voor eigen gebruik, zoals artikel 3.1 van de planregels vereist.

De vergunningaanvraag bevat een berekening van de benodigde energie op het landgoed en de energie die zonnepanelen produceren. Daaruit volgt dat de zonnepanelen niet in meer energie voorzien dan de eigen behoefte. Blijkens de toelichting van [appellant sub 2] op zitting is het de bedoeling om de twee gasloze villa’s nagenoeg zelfvoorzienend in elektriciteit te maken. De villa’s hebben samen een inhoud van 3.875 m3, zijn elk voorzien van een systeem van warmteterugwinning, warmtepompen en airconditioning. Ook is elektriciteit nodig voor het opladen van elektrische voertuigen en installaties op het landgoed, zoals waterpompen. Daarnaast is er op het landgoed een stallingsruimte van 1.000 m3 die is voorzien van een warmtepomp. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de zonnepanelen alleen voor eigen gebruik zijn. De door [appellant sub 1] gemaakte berekening van het benodigd aantal zonnepanelen leidt niet tot een ander oordeel, omdat die berekening onvolledig is en gebaseerd is op gemiddelde cijfers over het energieverbruik van vrijstaande woningen. Dat in bepaalde maanden op sommige momenten sprake is van teruglevering aan het energienet, betekent op zich niet dat geen sprake is van opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de zonneweide in zoverre in overeenstemming met het bestemmingsplan is.

Het betoog slaagt niet.

- alternatieve locaties voor de zonnepanelen

8.       [appellant sub 1] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college bij de besluitvorming had moeten betrekken dat de zonnepanelen op het dak van de woningen hadden kunnen worden geplaatst. De Afdeling stelt voorop dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De inpassing van de zonneweide is al beoordeeld door de planwetgever bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat de zonneweide op de gevraagde locatie toe zodat er op dit punt geen weigeringsgrond is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er daarom geen reden is om het door [appellant sub 1] aangevoerde alternatief te onderzoeken, nog daargelaten dat dit wegens de omvang van de zonneweide geen alternatief is waarmee hetzelfde resultaat zou kunnen worden bereikt.

- landschapsplan

9.       [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor de aanleg van landgoed “De Commel” had moeten weigeren. Volgens [appellant sub 1] is de omgevingsvergunning in strijd met artikel 5.1 van de planregels. Hij voert aan dat in het landschapsplan het uitgangspunt staat dat oude akkers worden hersteld als open groengebied en in open veld in principe geen andere landschapselementen worden toegestaan dan solitaire bomen of boomgroepjes (bij kruisen of kapellen). In de zuidoosthoek van het landgoed is echter ten onrechte een boomgroep van dertien (lees: elf) fruitbomen en een meidoornhaag vergund, omdat dit landschapsvreemde elementen zijn. Bovendien zijn boomgroepjes alleen toegestaan bij kruisen of kapellen en daarvan is geen sprake, aldus [appellant sub 1].

9.1.    Het door [appellant sub 1] in zijn betoog genoemde uitgangspunt komt uit de structuurvisie Echt-Susteren 2025. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de structuurvisie geen deel uitmaakt van het toetsingskader voor de gevraagde omgevingsvergunning voor de aanleg van landgoed “De Commel”. Op grond van artikel 2.11 van de Wabo wordt het toetsingskader gevormd door regels van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble" bestemd voor het behoud en de bescherming van de waarde van het ensemble van cultuurhistorisch waardevolle landschappen, erfgoed en bouwwerken. Uit de artikelen 5.7.1 en 5.7.3 van de planregels volgt dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden alleen mag worden verleend indien door de uitvoering dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan ensembles van cultuurhistorische waardevolle landschappen, erfgoed en bouwwerken.

9.2.    In het landschapsplan van bureau Verbeek voor de inrichting van landgoed “De Commel” is toegelicht dat bij de landschappelijke inrichting rekening is gehouden met de ligging van een gedeelte van het landgoed binnen de begrenzing van het cultuurhistorisch waardevol ensemble Gebroek-Horst. Zo wordt de openheid van het gebied zo veel als mogelijk behouden en sluit de beplanting en de locaties daarvan aan bij de omgeving. De Omgevingscommissie heeft positief geadviseerd over dit plan. De verleende omgevingsvergunning maakt de aanleg van landgoed “De Commel” mogelijk zoals dat is weergegeven op de kaart van bureau Verbeek dat als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd. Blijkens deze kaart bestaat het landgoed in de basis uit kruidenrijk grasland/akker met daarop verspreid op een beperkt aantal plaatsen solitaire bomen, kleine groepjes bomen en hagen. Gelet op het vorenstaande en de overgelegde afbeeldingen van het landgoed is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voor de aanleg van landgoed “De Commel” niet leidt tot een aantasting van de openheid van het landschap en geen onevenredige afbreuk doet aan cultuurhistorisch waardevol ensembles. Dit wordt bevestigd doordat de vergunde inrichting van het landgoed is opgenomen in bijlage 2 die deel uitmaakt van de planregels. In artikel 9.1 van de planregels is namelijk bepaald dat ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - landgoed’ de gronden tevens zijn bestemd voor een samenhangend beheer, behoud, herstel en/of ontwikkeling van een landgoed conform de in bijlage 2 bij de planregels opgenomen landschapsplan, alsmede de duurzame instandhouding daarvan (in het kader van de Natuurschoonwet 1928).

Het betoog slaagt niet.

- alternatieve locatie voor fruitbomen en hagen

10.     [appellant sub 1] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de aan te planten fruitbomen en hagen elders op het landschap geplaatst hadden kunnen worden zonder afbreuk te doen aan het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en zonder afbreuk doen aan de gronden met de dubbelbestemming "Waarde- Cultuurhistorisch waardevol ensemble". De Afdeling stelt voorop dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Zoals hiervoor in 9.2 is overwogen, is er op grond van het bestemmingsplan geen weigeringsgrond voor de gevraagde omgevingsvergunning voor uitvoering van het landschapsplan. Gelet hierop was er voor het college geen ruimte om mogelijke alternatieve locaties voor de fruitbomen en hagen en de belangen van [appellant sub 1] bij een andere locatie, bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken.

Conclusies

11.     Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is eveneens ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jansen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan (…) is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…)."

Artikel 2.2, eerste lid, luidt:

"(…)

d. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

(…)."

Artikel 2.10 luidt:

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2,1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

(…).

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is."

Artikel 2.11, eerste lid, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan (…), wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of werkzaamheid daarmee in strijd is (…).

Artikel 2.12, eerste lid, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):

1o met toepassing van de in het bestemmingsplan (…) opgenomen regels inzake afwijking,

2o in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3o in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…)."

Planregels bestemmingsplan "Landgoed De Commel"

Artikel 3.1 luidt:

"De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…)

d. het opwekken van zonne-energie voor eigen gebruik door zonnepanelen met de daarbij behorende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’;

(…).

Artikel 3.2.1 luidt:

"Binnen de gehele bestemming mogen uitsluitend worden gebouwd:

(…)

b. gebouwen van openbaar nut en gebouwen ten behoeve van het opwekken van energie door middel van het omzetten van zonlicht in elektriciteit met gebruik van zonnepanelen;

(…).

Artikel 3.7.3 luidt:

"Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan het zij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen en, wanneer mogelijk, een positieve bijdrage wordt geleverd aan de aanwezige cultuurhistorisch-landschappelijke waarden."

Artikel 5.1 luidt:

"De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de waarde van het ensemble van cultuurhistorisch waardevolle landschappen, erfgoed en bouwwerken."

Artikel 5.2 luidt:

"Uitsluitend binnen de bestemming ‘Wonen - Landgoed’ en binnen de functieaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ mogen gebouwen worden gerealiseerd."

Artikel 5.7.1 luidt:

"Het is verboden op de in lid 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

(…)

d. het aanleggen, verleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2;

(…)

f. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur."

Artikel 5.7.3 luidt:

"Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.7.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de ensembles van cultuurhistorisch waardevolle landschappen, erfgoed en bouwwerken."

Artikel 9.1 luidt:

"Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - landgoed’ zijn de gronden tevens bestemd voor een samenhangend beheer, behoud, herstel en/of ontwikkeling van een landgoed conform Bijlage 2 Landschapsplan, alsmede de duurzame instandhouding daarvan (in het kader van de Natuurschoonwet 1928)."