Uitspraak 202304308/2/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:396
- Datum uitspraak
- 1 februari 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 30 september 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluiten van 18 juli 2021 en 14 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
202304308/2/V2.
Datum uitspraak: 1 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 23 juni 2023 in zaken nrs. NL21.13171 en NL21.15446 in het geding tussen:
[de vreemdelingen]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 30 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 18 juli 2021 en 14 september 2021 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 juni 2023 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
- De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de staatssecretaris wordt opgedragen hen voor de maand februari te behandelen als waren zij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier.
- Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de staatssecretaris de vreemdelingen de gevraagde verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten uiteindelijk niet had mogen weigeren. Reeds daarom treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
- Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024
309-1024