Uitspraak 202203120/1/A3


Volledige tekst

202203120/1/A3.
Datum uitspraak: 20 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Utrecht,
appellant,

en

de burgemeester van Utrecht,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de burgemeester de exploitatievergunning voor [koffiehuis] op het adres [locatie] in Utrecht ingetrokken.

Bij besluit van 19 april 2022 heeft de burgemeester besloten om onder aanvulling van de motivering bij de intrekking van de exploitatievergunning te blijven.

Tegen het besluit van 19 april 2022 heeft [appellant] beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 29 september 2023 behandeld, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Buitenhuis, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is eigenaar van [koffiehuis]. Bij een controle op 25 mei 2019 is geconstateerd dat in het koffiehuis een bingo werd gehouden. [appellant] beschikte niet over de daarvoor benodigde vergunning. De burgemeester heeft de exploitatievergunning bij besluit van 13 juni 2019 daarom ingetrokken.

1.1.    In de uitspraak van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2445, heeft de Afdeling geoordeeld dat de burgemeester zijn besluit om de exploitatievergunning in te trekken onvoldoende heeft gemotiveerd. De Afdeling heeft de burgemeester daarom opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De burgemeester heeft dat op 19 april 2022 gedaan en zich op het standpunt gesteld dat hij de exploitatievergunning op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, d en e, van de Verordening horeca gemeente Utrecht (hierna: de Horecaverordening; voorheen de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018) terecht heeft ingetrokken. Hij heeft daarvoor een aanvullende motivering gegeven.

1.2.    In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling het nieuwe besluit van de burgemeester van 19 april 2022. Voordat de Afdeling daaraan toekomt, wordt hieronder eerst weergegeven wat de Afdeling eerder over de intrekking van de exploitatievergunning heeft geoordeeld, welk besluit de burgemeester daarna heeft genomen en waarom [appellant] het daar niet mee eens is.

Wat heeft de Afdeling geoordeeld in haar uitspraak van 3 november 2021?

2.       De Afdeling volstaat hierna met een korte samenvatting van wat zij eerder over de intrekking van de exploitatievergunning heeft geoordeeld en verwijst voor de volledige overwegingen naar rechtsoverweging 9.1 tot en met 9.5 van de uitspraak van 3 november 2021.

2.1.    In de uitspraak van 3 november 2021 heeft de Afdeling overwogen dat de burgemeester bij het intrekken van de exploitatievergunning veel nadruk heeft gelegd op de omstandigheid dat bij de bingo’s veel geld omging, maar dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Onduidelijk is gebleven wat met ‘veel geld’ wordt bedoeld. Verder stonden op de door [appellant] overgelegde prijzenlijst uitsluitend prijzen met een kleine geldwaarde. De burgemeester heeft weliswaar in twijfel getrokken dat deze lijst in de bingoruimte aanwezig was, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat feitelijk andere prijzen konden worden gewonnen met een veel grotere geldwaarde dan de prijzen die op de lijst staan. Daardoor bleef als motivering slechts over dat enkele jaren achtereen gedurende de ramadan enkele weekenden per jaar bingo werd gespeeld zonder dat daarvoor vergunning was verleend. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat er een reële dreiging was dat door de bingo's tijdens de ramadan ongeregeldheden en gewelddadigheden zouden ontstaan in het koffiehuis. De burgemeester heeft daarom niet deugdelijk gemotiveerd dat de bingo's in het koffiehuis de vrees wettigden dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar opleverde voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of dat de openbare orde, veiligheid of woon- en leefsituatie in de omgeving van het koffiehuis op ontoelaatbare wijze werd verstoord door de aanwezigheid van het koffiehuis.

2.2.    De intrekking van de exploitatievergunning op de grond dat [appellant] niet langer voldeed aan de eis dat leidinggevenden van een horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn, was volgens de Afdeling ook onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de beschikbare informatie kon het namelijk gaan om een kleinschalige bingo die [appellant] enkele weekenden per jaar organiseerde zonder daaraan veel geld te willen verdienen. In dat geval is het enkele feit dat voor de bingo niet de verplichte vergunning was verleend, onvoldoende om te spreken van slecht levensgedrag.

2.3.    In haar uitspraak heeft de Afdeling de burgemeester opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen en bepaald dat tegen dat nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat als er geen andere relevante feiten en omstandigheden over de exploitatie van het koffiehuis zijn dan die al in de besluiten en in de processen-verbaal zijn vermeld, het in de rede ligt dat de burgemeester het besluit van 13 juni 2019 herroept.

Wat heeft de burgemeester in vervolg op de uitspraak besloten?

3.       Bij besluit van 19 april 2022 heeft de burgemeester besloten om, onder aanvulling van de motivering, het besluit van 13 juni 2019 in stand te laten. Dat betekent dat [appellant] zijn exploitatievergunning niet terugkrijgt. Ter onderbouwing van zijn besluit heeft hij naar een aantal nieuwe documenten verwezen. Het gaat om een op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal van 18 november 2021, een op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal van 25 januari 2022, een bestuurlijke rapportage van 14 maart 2022, een transcriptie van videobeelden van 7 januari 2022 en een melding van 21 mei 2019. Volgens de burgemeester heeft hij zijn besluit om de exploitatievergunning in te trekken met deze aanvullende documenten voldoende gemotiveerd.

Waarom is [appellant] het daar niet mee eens?

4.       [appellant] is het niet eens met het besluit van 19 april 2022. Hij heeft bij elk document dat de burgemeester heeft ingebracht toegelicht waarom het document niet als onderbouwing van de intrekking van de exploitatievergunning kan dienen. De Afdeling zal hier op ingaan bij de beoordeling van het beroep. Verder stelt [appellant] dat de burgemeester het besluit van 19 april 2022 niet op tijd heeft genomen. Hij heeft de Afdeling daarom verzocht om de burgemeester te veroordelen tot het betalen van een dwangsom.

Wettelijk kader

5.       De bepalingen op grond waarvan de burgemeester de exploitatievergunning heeft ingetrokken en die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep zijn opgenomen in de bijlage. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

Heeft de burgemeester het intrekken van de exploitatievergunning op grond van de d- en e-grond voldoende gemotiveerd?

6.       De burgemeester trekt de exploitatievergunning in als de exploitatie van het horecabedrijf een gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid, de gezondheid, de bescherming van het milieu of de woon- en leefsituatie van omwonenden. Hij trekt de exploitatievergunning ook in als er zich in of bij het horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die aantonen dat het horecabedrijf de omgeving op een ontoelaatbare wijze verstoort. Dat staat in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Horecaverordening. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester met de door hem overgelegde nieuwe documenten onvoldoende gemotiveerd dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of dat de openbare orde, veiligheid of woon- en leefsituatie in de omgeving van het koffiehuis op ontoelaatbare wijze wordt verstoord. Ook als de documenten in onderlinge samenhang worden bezien, komt de Afdeling tot dit oordeel. Aan de hand van de nieuw overgelegde documenten die de burgemeester aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, zal de Afdeling uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

a. Proces-verbaal van 18 november 2021

7.       Aan de eerdere besluitvorming van de burgemeester lag een anonieme melding ten grondslag die door een buitengewoon opsporingsambtenaar is vastgelegd in het proces-verbaal van 25 mei 2019. De melding houdt in dat in [koffiehuis] al jaren tijdens de ramadan illegale bingo’s worden georganiseerd en dat daar veel geld mee wordt verdiend. Gezinnen zouden daaronder lijden, omdat de mannen tijdens de bingo veel geld verspelen. Diezelfde ambtenaar heeft in het (nieuwe) proces-verbaal van 18 november 2021 aanvullende informatie opgenomen die deze anonieme melder in mei 2019 ook zou hebben doorgegeven. De melder heeft volgens de ambtenaar namelijk toen ook gezegd dat de avonden beginnen met een lage inzet en dat naarmate de avonden vorderen, de inzet steeds hoger wordt. Daarbij zou gestart worden met een inzet van € 10,00 en dat zou oplopen tot € 50,00 per bingokaart. Er wordt niet alleen in de weekenden gespeeld, maar ook doordeweeks. Vooral op vrijdag en zaterdag zou er veel geld aanwezig zijn, aldus de melder. Daarnaast is in het proces-verbaal van 18 november 2021 informatie opgenomen over videobeelden van de anonieme melder en over de gevorderde administratie van het koffiehuis. Uit de videobeelden blijkt dat er op dat moment aan elke tafel drie of vier personen zaten en dat met wisselende coupures werd betaald. Daarnaast blijkt uit de administratie dat er in mei 2019 op vier dagen in totaal € 1.176,00 omzet is behaald met de bingo. Die geregistreerde omzet is volgens de ambtenaar niet betrouwbaar, omdat uit het proces-verbaal van 25 mei 2019 blijkt dat er aan zes tafels werd gespeeld en dat daarbij 21 speelkaarten werden aangetroffen. Mede gelet op de aanvullende informatie van de anonieme melder, is het niet aannemelijk dat de bedragen uit de administratie overeenkomen met de werkelijk behaalde omzet. Volgens de burgemeester blijkt uit de aanvullende informatie in het proces-verbaal van 18 november 2021 dat er dus voor veel geld werd gespeeld.

7.1.    De Afdeling volgt de conclusie van de burgemeester niet. Uit de aanvullende informatie blijkt nog altijd niet concreet en zelfs niet bij benadering om hoeveel geld er werd gespeeld. Onduidelijk is bijvoorbeeld nog steeds hoeveel rondes er werden gespeeld, hoeveel personen daaraan mee deden en wat daarbij de inzet was. In zijn verweerschrift voor de bezwaarprocedure schrijft de burgemeester zelf ook: "Met de aanwezige personen tijdens de controle zou de opbrengst per speelronde oplopen van € 180 euro tot ongeveer € 900 per ronde. Hierbij moet worden opgemerkt dat niet duidelijk is hoeveel rondes er per avond werden gespeeld, maar dat het om meerdere rondes gaat is zeer aannemelijk." Waarop de burgemeester de door hem genoemde opbrengsten baseert, is echter niet duidelijk geworden. De burgemeester heeft tijdens de zitting bij de Afdeling desgevraagd ook te kennen gegeven dat niet concreet vastgesteld kan worden om hoeveel geld er (bij benadering) werd gespeeld. Daarbij is ook van belang dat kleine kansspelactiviteiten, zoals een bingo, in de gemeente Utrecht onder voorwaarden zijn toegestaan, mits die activiteiten vooraf bij de gemeente worden gemeld. Eén van de voorwaarden is dat tijdens het kansspel het prijzenpakket maximaal € 400,00 per ronde en € 1.550,00 per bijeenkomst mag zijn. De burgemeester heeft tijdens de zitting bij de Afdeling desgevraagd niet kunnen toelichten hoe dit beleid zich verhoudt tot de stelling dat mede uit een omzet over vier dagen van € 1.176,00 blijkt dat er voor veel geld werd gespeeld. Dat deze omzet niet kan kloppen, zoals de burgemeester volhoudt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Omdat het proces-verbaal van 18 november 2021 onvoldoende is om de conclusie op te baseren dat er om veel geld werd gespeeld, kunnen de vraagtekens die [appellant] bij de betrouwbaarheid van de aanvulling van de melding heeft gezet, in het midden blijven.

b. Proces-verbaal van 25 januari 2022

8.       De buitengewoon opsporingsambtenaar die de processen-verbaal van 25 mei 2019 en 18 november 2021 heeft opgesteld, heeft in het (nieuwe) proces-verbaal van 25 januari 2022 vastgelegd dat er een (andere) anonieme melding over het koffiehuis binnengekomen is. De melder geeft te kennen dat bekend is dat in het koffiehuis al jaren wordt gegokt, zowel via illegale Toto als poker. Het zou om kleinere en grotere bedragen gaan.

8.1.    Allereerst merkt de Afdeling op dat er in het proces-verbaal van 25 januari 2022 staat dat er ‘onlangs’ iemand een melding heeft gedaan over [koffiehuis]. Het koffiehuis is vanaf 13 juni 2019 echter gesloten. Dit roept vragen op over de juistheid van de melding en de aanleiding daarvan. De burgemeester heeft daar tijdens de zitting bij de Afdeling geen duidelijkheid over kunnen geven. Alleen al daarom legt dit proces-verbaal geen gewicht in de schaal. Los daarvan heeft de burgemeester ook met dit proces-verbaal niet aannemelijk gemaakt dat er bij de bingo’s voor veel geld werd gespeeld. Het is onduidelijk wat de melder met ‘grote bedragen’ bedoelt en waarop hij zijn informatie baseert.

c. Bestuurlijke rapportage van 14 maart 2022

9.       Op verzoek van de burgemeester zijn de politiesystemen in februari 2022 nogmaals geraadpleegd. De bevindingen daarvan zijn vastgelegd in de bestuurlijke rapportage van 14 maart 2022. Daarin staat informatie over het strafrechtelijke opsporingsonderzoek Mandoline waarin het onder meer gaat over illegaal gokken in het koffiehuis. Daarover wordt vermeld dat in april 2016 onderzoek plaatsvond naar illegaal gokken in het koffiehuis, maar dat meer informatie destijds wegens het lopende onderzoek niet gedeeld kon worden met de burgemeester. Uit politie-informatie komt naar voren dat de twee hoofdverdachten uit dat onderzoek inmiddels zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen. Deze twee hoofdverdachten hadden ook contact met de vader van [appellant] en uit afgetapte gesprekken uit de periode maart tot en met november 2015 blijkt dat er voor het koffiehuis sprake zou zijn van een omzet van € 57.000,00 of € 74.000,00.

9.1.    Uit de bestuurlijke rapportage kan echter niet afgeleid worden dat er veel geld omging bij de bingo’s die aanleiding waren voor de burgemeester om de exploitatievergunning in te trekken. Met het door de burgemeester aangedragen bewijs dat er tussen maart en november 2015 met illegaal gokken in het koffiehuis een omzet van € 57.000,00 of € 74.000,00 zou zijn behaald, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dit ook het geval was bij de hier aan de orde zijnde illegale bingo’s. Uit niets blijkt namelijk van een verband tussen de bedoelde gokactiviteiten - waarbij spelers middels een softwareprogramma en daarvoor bedoelde apparatuur op de goklocaties konden inzetten op voetbalwedstrijden - en de bingo’s gedurende de ramadan in 2019. Hoe uit deze activiteiten in het jaar 2015, toen de vader van [appellant] nog de leiding had over het koffiehuis, zou moeten volgen dat ook bij de bingo’s in 2019 voor veel geld werd gegokt, heeft de burgemeester ook niet uitgelegd.

d. Transcriptie van videobeelden van 7 januari 2022

10.     De burgemeester heeft de door de anonieme melder gemaakte videobeelden niet aan [appellant] en de Afdeling beschikbaar gesteld, maar volstaan met een transcriptie daarvan. Uit de beelden blijkt volgens de burgemeester dat om euro’s wordt gespeeld. [appellant] heeft dat niet betwist. Volgens de burgemeester blijkt uit de beelden dat er vijf, tien en twintig euro werd ingezet, terwijl [appellant] eerder heeft verklaard dat de inzet slechts één euro zou zijn en dat er gespeeld zou worden voor een goed doel.

10.1.  Uit de transcriptie kan niet geconcludeerd worden dat er voor veel geld werd gespeeld. Dat sprake is van biljetten van vijf, tien en twintig euro, op zichzelf geen grote coupures, betekent niet dat er grote bedragen omgingen. Ook als de transcriptie in samenhang wordt bekeken met de informatie uit de processen-verbaal van 18 november 2021 en 25 januari 2022, kan nog steeds niet concreet vastgesteld worden om hoeveel geld er (bij benadering) werd gespeeld. [appellant] heeft daarover tevens opgemerkt dat de bingokaarten € 1,00 per stuk kostten en dat het mogelijk was om meerdere bingokaarten te kopen, eventueel samen met iemand anders. De burgemeester heeft dit betwist, maar het ligt op zijn weg om aannemelijk te maken dat er voor veel geld werd gespeeld. Voor zover de burgemeester stelt dat er feitelijk om geld in plaats van kleine prijzen werd gespeeld omdat uit de transcriptie blijkt dat er op geen enkel moment is gesproken over het spelen voor een goed doel, is van belang dat het langste fragment 1 minuut en 14 seconden heeft geduurd. Dat er in die periode niet over het spelen voor een goed doel is gesproken, betekent niet dat dit niet het geval was of dat er daarom dus wel om geld werd gespeeld.

e. Melding van 21 mei 2019

11.     De burgemeester heeft in zijn verweerschrift in de bezwaarprocedure verwezen naar een melding van 21 mei 2019. Deze melding heeft de burgemeester eerder niet aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. De melder geeft te kennen dat hij veel overlast van het koffiehuis ervaart. Het koffiehuis zou volgens hem tijdens de ramadan tot 06.00 uur in de ochtend open zijn. De overlast bestaat uit schreeuwende jongeren, scooters die hard optrekken, veel verkeer en schelden, aldus de melder.

11.1.  De melding van 21 mei 2019 is de enige melding van overlast die de burgemeester aan zijn besluit tot het intrekken van de exploitatievergunning ten grondslag heeft gelegd. Daarbij is overigens niet duidelijk of de overlast samenhangt met de illegale bingoavonden die [appellant] organiseerde. Deze melding alleen is onvoldoende om aan te nemen dat de exploitatie van het koffiehuis de vrees wettigt dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of dat de openbare orde, veiligheid of woon- en leefsituatie in de omgeving van het koffiehuis op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door zijn aanwezigheid.

12.     De conclusie is dat de burgemeester er niet in is geslaagd om met andere relevante feiten en omstandigheden de intrekking van de exploitatievergunning op grond van de d- en e-grond te onderbouwen. Anders dan de burgemeester betoogt, leiden alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien niet tot een andere conclusie. Dat betekent dat de burgemeester de intrekking van de exploitatievergunning op grond van de d- en e-grond onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het betoogt slaagt.

Heeft de burgemeester het intrekken van de exploitatievergunning op grond van de b-grond voldoende gemotiveerd?

13.     De burgemeester trekt de exploitatievergunning ook in als de vergunninghouder niet langer voldoet aan de eis dat de leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Dat staat in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Horecaverordening. In de toelichting staat dat de burgemeester de exploitatievergunning intrekt als een leidinggevende gedrag heeft vertoond of een veroordeling op zijn naam heeft staan die aanleiding geeft om te oordelen dat een leidinggevende van slecht levensgedrag is. In die beoordeling worden in ieder geval - voor zover in dit geval van belang - de volgende gedragingen meegenomen: "betrokkenheid bij (…) illegaal gokken, (…) rijden onder invloed".

13.1.  De burgemeester betoogt dat [appellant] niet langer voldoet aan de eis dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Hij verwijst naar de bestuurlijke rapportage van 14 maart 2022 waarin wordt verwezen naar opsporingsonderzoek Mandoline. Daaruit blijkt volgens hem dat [appellant] meewerkt aan een crimineel netwerk dat onder andere vanuit het koffiehuis met behulp van de leidinggevenden gokactiviteiten faciliteerde. Verder heeft de burgemeester gewezen op de in die bestuurlijke rapportage opgenomen grote hoeveelheid verkeersovertredingen die door [appellant] zijn begaan. Ten slotte heeft de burgemeester gewezen op het feit dat de toezichthouders tijdens hun controle door de leidinggevenden zijn tegengewerkt en dat de leidinggevenden onjuiste verklaringen over de bingo hebben gegeven.

13.2.  Voor de beoordeling van deze intrekkingsgrond is de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493, van belang. Daarin staat dat het vereiste dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn, ertoe strekt het belang van de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting te waarborgen. Bij de invulling van de eis over het levensgedrag komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Wanneer aan een exploitant of beheerder van een inrichting wordt tegengeworpen dat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag is, moet dit per geval door de burgemeester worden gemotiveerd. Van geval tot geval zal verschillen welke feiten en/of omstandigheden aanleiding geven tot tegenwerping van het levensgedrag. Gelet op het specialiteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), moeten de feiten en omstandigheden die worden meegewogen bij het oordeel over het levensgedrag van de vergunninghouder, relevant zijn voor de exploitatie van de inrichting. Die feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of de inrichting kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat.

13.3.  De burgemeester heeft in zijn besluit van 19 april 2022 onvoldoende gemotiveerd dat [appellant] van slecht levensgedrag is. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft hij desgevraagd bevestigd dat de verkeersovertredingen geen intrekkingsgrond zijn en dus niet kunnen worden tegengeworpen in dit kader, zodat de Afdeling daar geen oordeel over geeft. Wat betreft de stelling van de burgemeester dat uit de bestuurlijke rapportage van 14 maart 2022 blijkt dat [appellant] zou meewerken aan een crimineel netwerk, is van belang dat de gokactiviteiten waarbij het koffiehuis blijkens het opsporingsonderzoek Mandoline betrokken was, zich in 2015 hebben voorgedaan. Destijds had de vader van [appellant] de leiding over het koffiehuis. Er zijn geen aanwijzingen dat [appellant] bij deze gokactiviteiten enige betrokkenheid had. Dat hij verdachte was in het betreffende opsporingsonderzoek blijkt niet. Uit deze informatie volgt ook niet dat het koffiehuis ook in 2019 nog onderdeel was van een crimineel netwerk of illegaal gokcircuit of zich anderszins inliet met criminele (gok)activiteiten. Deze informatie kan daarom niet bijdragen aan het oordeel dat [appellant] van slecht levensgedrag is. Voor zover de burgemeester aanvoert dat de leidinggevenden tijdens de controle in 2019 onjuiste verklaringen hebben afgelegd en de toezichthouders hebben tegengewerkt, is van belang dat de burgemeester die stelling al naar voren heeft gebracht in de procedure die leidde tot de uitspraak van 3 november 2021 en dat de Afdeling daar in haar uitspraak geen doorslaggevende betekenis aan heeft toegekend. De burgemeester heeft niet toegelicht waarom daar nu anders naar gekeken zou moeten worden.

14.     De burgemeester heeft geen andere relevante feiten en omstandigheden over de exploitatie naar voren gebracht dan die de Afdeling al heeft betrokken in haar uitspraak van 3 november 2021. De burgemeester heeft daardoor in zijn nieuwe besluit op bezwaar onvoldoende gemotiveerd dat hij de exploitatievergunning terecht heeft ingetrokken.

Het betoog slaagt.

Heeft de burgemeester het besluit van 19 april 2022 op tijd genomen?

15.     De burgemeester heeft het besluit van 19 april 2022 niet op tijd genomen. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft hij dit desgevraagd ook erkend. Hij moet daarom een dwangsom betalen. Daarvoor is het volgende van belang.

15.1.  De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 november 2021 bepaald dat de burgemeester een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] moet nemen voor zover dat gaat over de intrekking van de exploitatievergunning. De Afdeling heeft niet bepaald binnen welke termijn de burgemeester dat besluit had moeten nemen. [appellant] heeft de burgemeester op 16 december 2021 in gebreke gesteld. De burgemeester heeft naar aanleiding daarvan geen besluit genomen. Vervolgens heeft [appellant] bij de Afdeling beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. In haar uitspraak van 13 april 2022, 202200011/1/A3, heeft de Afdeling dat beroep gegrond verklaard. De Afdeling heeft bepaald dat de burgemeester uiterlijk binnen twee weken na de verzenddatum van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat de burgemeester een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft.

15.2.  Op 19 april 2022 heeft de burgemeester het nieuwe besluit genomen. Dat is binnen de termijn die de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2022 heeft bepaald. Volgens [appellant] moet de burgemeester echter alsnog een dwangsom betalen, omdat hij de burgemeester op 16 december 2021 al in gebreke had gesteld.

15.3.  Na de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021 had de burgemeester binnen zes weken vanaf de dag na de verzending van de uitspraak een besluit moeten nemen. Dit heeft de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2022 overwogen. Dat betekent dat de beslistermijn liep tot en met 15 december 2021. De burgemeester heeft binnen die termijn geen besluit genomen, waarna [appellant] de burgemeester op 16 december 2021 in gebreke heeft gesteld. Ook daarna heeft de burgemeester niet binnen twee weken een besluit genomen, zodat hij een dwangsom heeft verbeurd.

15.4.  De burgemeester verbeurt een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is. Daarbij geldt een maximum van 42 dagen. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Zie artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb. In dit geval is de burgemeester meer dan 42 dagen in gebreke geweest. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,00 per dag en de overige dagen € 45,00 per dag. Zie artikel 4:17, tweede lid, van de Awb. De berekening ziet er als volgt uit: veertien dagen vermenigvuldigd met € 23,00 per dag, veertien dagen vermenigvuldigd met € 35,00 per dag en veertien dagen vermenigvuldigd met € 45,00 per dag. In totaal bedraagt de dwangsom dus € 1.442,00.

Het betoog slaagt.

Conclusie

16.     Het beroep is gegrond. De burgemeester heeft geen andere relevante feiten en omstandigheden over de exploitatie van het koffiehuis naar voren gebracht dan die de Afdeling al heeft betrokken in haar uitspraak van 3 november 2021. De Afdeling zal het besluit van 19 april 2022 om die reden vernietigen en het besluit van 13 juni 2019 herroepen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het besluit van 19 april 2022. De Afdeling zal daarnaast de hoogte vaststellen van de door de burgemeester aan [appellant] verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar.

17.     Doordat de Afdeling het besluit van 13 juni 2019 herroept, herleeft de exploitatievergunning. Dat betekent dat [appellant] weer over een exploitatievergunning beschikt.

18.     De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de burgemeester van Utrecht van 19 april 2022, kenmerk 9611387;

III.      herroept het besluit van de burgemeester van Utrecht van 13 juni 2019, kenmerk CHZ_KLA-19-17509-CDZ_LOB-10790;

IV.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.       stelt de hoogte van de door de burgemeester van Utrecht aan [appellant] verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar vast op een bedrag van € 1.442,00;

VI.      veroordeelt de burgemeester van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.674,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat de burgemeester van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.

w.g. Van Ravels
voorzitter

w.g. Meerman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023

960

BIJLAGE | WETTELIJK KADER

Artikel 4:17, eerste, tweede, derde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

1.       Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2.       De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.

3.       De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

6.       Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a.       het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b.       de aanvrager geen belanghebbende is, of
c.       de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, d en e, van de Verordening horeca gemeente Utrecht (voorheen artikel 10 van de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018)

De burgemeester trekt de exploitatievergunning in als:

b.       de vergunninghouder niet langer voldoet aan de eisen in artikel 9;

d.       de exploitatie van het horecabedrijf een gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid, de gezondheid, de bescherming van het milieu of de woon- en leefsituatie van omwonenden;

e.       zich in of bij het horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die aantonen dat het horecabedrijf de omgeving op ontoelaatbare wijze verstoort.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening horeca gemeente Utrecht

Voor het krijgen van een exploitatievergunning wordt aan de volgende eisen voldaan: een leidinggevende is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.