Uitspraak 202103843/1/A3


Volledige tekst

202103843/1/A3.
Datum uitspraak: 13 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellant sub 1], voor zijn minderjarig kind [kind], beiden wonend te [woonplaats],

2.       de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 4 mei 2021 in zaak nrs. 20/3537 en 20/3811 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de SVB.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2019 heeft de SVB een verzoek op grond van artikel 17 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG) van [appellant sub 1] voor zijn dochter afgewezen. Het verzoek houdt in het startbericht, waarmee de SVB gegevens van de dochter van [appellant sub 1] aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft verstrekt, te verwijderen.

Bij besluit van 14 augustus 2020 heeft de SVB het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2021 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 augustus 2020 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. De rechtbank heeft het verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de SVB hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De SVB en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2023, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S. Mulders, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. C. Vooijs en mr. M.J. Lintermans, zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch kader

1.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.       De dochter van [appellant sub 1] is geboren in 2016. Op 19 januari 2016 heeft de SVB haar persoonsgegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekt, met een zogenoemd startbericht. Een startbericht is een digitale melding waarin staat dat voor een kind vanaf een bepaalde datum recht op kinderbijslag bestaat. In het startbericht staan de burgerservicenummers van het kind en de ouders, en de geboortedatum en het woonland van het kind. Op basis van het startbericht beoordeelt de Belastingdienst/Toeslagen of er een recht op kindgebonden budget bestaat. [appellant sub 1] heeft de SVB verzocht het startbericht over zijn dochter te verwijderen. In beroep heeft hij de rechtbank verzocht de SVB te veroordelen tot vergoeding van de schade die is geleden door het verstrekken van het startbericht aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Oordeel van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de SVB een onrechtmatige inbreuk heeft gemaakt op de privacy van de dochter van [appellant sub 1], door haar persoonsgegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen te verstrekken. Artikel 38 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) geeft weliswaar een wettelijke grondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens, maar het verstrekken van startberichten met de persoonsgegevens van alle kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat is naar het oordeel van de rechtbank niet evenredig in verhouding tot de uitvoering van de wetgeving over het kindgebonden budget. Dat doel kan ook op een andere manier worden verwezenlijkt die minder nadelig is voor (de ouders van) deze kinderen. De rechtbank heeft overwogen dat als de Belastingdienst/Toeslagen ouders een aanvraag om kindgebonden budget laat doen en eerst beoordeelt of aan de overige vereisten uit de Wet op het kindgebonden budget (hierna: Wkb) wordt voldaan, daarna van die kinderen aan de SVB kan worden gevraagd of voor hen ook recht op kinderbijslag bestaat. Dat past weliswaar niet binnen de wens van de Belastingdienst/Toeslagen om laagdrempelig en zonder aanvraag een kindgebonden budget te kunnen verstrekken, maar het convenant tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen is niet toereikend om dat te regelen op een manier die de AVG toestaat. De SVB verwerkt persoonsgegevens op een manier waarbij de inbreuk op de belangen van de dochter van [appellant sub 1] onevenredig is met het doel van die verwerking, terwijl dat doel in redelijkheid ook op een andere, voor haar minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. Niet wordt voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de SVB aan [appellant sub 1] geen schadevergoeding hoeft te betalen, omdat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dochter daadwerkelijk in haar persoon is aangetast door de privacyinbreuk. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de SVB de gegevens uit het startbericht niet hoeft te wissen, omdat die nog nodig zijn voor de uitbetaling van de kinderbijslag.

Hoger beroep van de SVB

4.       Het hoger beroep van de SVB is het meest verstrekkend. De Afdeling zal daarom dit hoger beroep als eerste beoordelen.

5.       De SVB voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gegevensverwerking niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De wetgever heeft bewust gekozen voor een systeem waarbij de SVB persoonsgegevens van alle kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat deelt met de Belastingdienst/Toeslagen. Als een recht op kinderbijslag bestaat en de ouder ook recht heeft op een andere toeslag wordt geacht een aanvraag kindgebonden budget te zijn gedaan. De Belastingdienst/Toeslagen stelt vervolgens het recht op kindgebonden budget vast. De huidige gegevensuitwisseling maakt deze door de wetgever gewenste ambtshalve toekenning van het kindgebonden budget mogelijk en zorgt ervoor dat dit efficiënt gebeurt. Bovendien mag en kan de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van een ouder niet toetsen voordat vaststaat of er recht bestaat op kinderbijslag.

Verder voert de SVB aan dat de rechtbank ten onrechte het individuele belang van [appellant sub 1] zwaarder heeft laten wegen dan het algemene belang van ambtshalve toekenning van kindgebonden budget. Dat [appellant sub 1] vanwege zijn inkomen geen recht heeft op kindgebonden budget en dus geen baat heeft gehad bij de verzending van het startbericht door de SVB, betekent niet dat de uitwisseling van persoonsgegevens als geheel onrechtmatig is. Bovendien leidt de uitwisseling van persoonsgegevens niet tot een onevenredig grote inbreuk op de rechten van het kind, omdat het niet gaat om bijzondere of gevoelige gegevens of gegevens die tot stigmatisering of misbruik kunnen leiden, aldus de SVB.

Heeft de SVB procesbelang?

5.1.    [appellant sub 1] voert aan dat de SVB geen procesbelang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. De argumenten die de SVB in hoger beroep aanvoert zien namelijk niet op haar belang als verstrekker van de persoonsgegevens, maar op het belang van de Belastingdienst/Toeslagen als ontvanger van de persoonsgegevens. Dit volgt ook uit stukken die [appellant sub 1] via de Wet open overheid heeft opgevraagd bij de SVB over de communicatie tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen over deze zaak.

5.2.    Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2076) volgt dat als de rechtbank een besluit van een bestuursorgaan heeft vernietigd, dat bestuursorgaan in beginsel procesbelang heeft bij een ingesteld hoger beroep. De rechtbank heeft het besluit van de SVB van 14 augustus 2020 vernietigd en geoordeeld dat het verstrekken door de SVB van startberichten met de persoonsgegevens van kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat ten aanzien van kinderen voor wie geen recht op kindgebonden budget bestaat onevenredig is. Omdat de rechtbank het besluit van de SVB heeft vernietigd en vanwege de gevolgen die dat voor de SVB heeft, heeft de SVB procesbelang bij het door haar ingestelde hoger beroep. Dat de SVB contact heeft gehad met de Belastingdienst/Toeslagen over haar hoger beroep maakt dit niet anders.

Is het verstrekken van persoonsgegevens door middel van startberichten door de SVB aan de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met de AVG?

- Toetsingskader

5.3.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG, mag de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerken als dit noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke plicht die op hem rust.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de AVG, moet de rechtsgrond voor de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde verwerking worden vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.

5.4.    Artikel 38, eerste lid, van de Awir bepaalt, kort gezegd, dat instanties die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, kosteloos desgevraagd alle gegevens en inlichtingen aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekken die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de Awir, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling. Tussen partijen is niet in geschil dat uit artikel 38 van de Awir een wettelijke verwerkingsverplichting volgt voor de SVB. De wettelijke verwerkingsverplichting is een verwerkingsgrond ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG. In geschil is of de SVB ook aan die verplichting kan voldoen op een andere, voor betrokkenen minder nadelige manier, en of het verstrekken van persoonsgegevens van alle kinderen waarvoor een recht op kinderbijslag bestaat met het oog op het ambtshalve kunnen vaststellen en verstrekken van kindgebonden budget aan ouders die daarop recht hebben proportioneel is.

- Voor welke doelen worden de gegevens verwerkt?

5.5.    Op grond van artikel 6, derde lid, van de AVG moet het doel van de verwerking in de rechtsgrond worden vastgesteld. In dit geval is het doel van de verwerking van de persoonsgegevens om zonder extra aanvraag van de ouder kindgebonden budget toe te kennen aan de mensen die daar recht op hebben. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wkb wordt aangenomen dat de ouder die over het berekeningsjaar aanspraak maakt op een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen en ook een andere toeslag van de Belastingdienst/Toeslagen krijgt (zoals huur-, zorg- of kinderopvangtoeslag), een aanvraag heeft gedaan voor het kindgebonden budget. De huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag zijn inkomensafhankelijke toeslagen. Deze regeling is dus bedoeld om met name ouders met lagere inkomens tegemoet te komen door hen automatisch kindgebonden budget toe te kennen als zij daar recht op hebben. Dit betekent een vermindering van de administratieve lasten voor de ouders en een vermindering van de uitvoeringskosten van de Belastingdienst/Toeslagen. Ook wordt daardoor het ongebruikt blijven van de kindertoeslag (sinds 1 januari 2009: kindgebonden budget) zo veel mogelijk beperkt (zie de Memorie van Toelichting bij de Wet op de kindertoeslag, Kamerstukken II, 2006/07, 30 912, nr. 3, p. 11).

Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het doel om laagdrempelig en zonder extra aanvraag kindgebonden budget te verstrekken dus niet een wens van de Belastingdienst/Toeslagen, maar van de wetgever. Daarnaast volgt dit doel niet alleen uit het convenant tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen, maar ook rechtstreeks uit artikel 5, tweede lid, van de Wkb.

- Kunnen die doelen op een andere, voor betrokkenen minder nadelige, manier worden bereikt?

5.6.    Op grond van artikel 6, derde lid, van de AVG, moet het lidstatelijke recht evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel. Als onderdeel daarvan moet het doel van de verwerking van de persoonsgegevens niet op een andere, voor betrokkenen minder nadelige, manier kunnen worden bereikt.

5.7.    Anders dan de rechtbank vond, is de Afdeling van oordeel dat de doelen van de verwerking van de persoonsgegevens in dit geval niet op een andere, voor betrokkenen minder nadelige, manier kunnen worden bereikt. Het alternatief dat de rechtbank schetst, waarbij ouders een aanvraag voor kindgebonden budget moeten doen, gaat voorbij aan het doel van de regeling om laagdrempelig en zonder aanvraag kindgebonden budget te kunnen toekennen en verstrekken. Zoals hiervoor overwogen volgt dat doel rechtstreeks uit artikel 5, tweede lid, van de Wkb. Daarnaast wordt met dit alternatief niet het doel van het beperken van het ongebruikt blijven van het kindgebonden budget bereikt.

Het andere alternatief zou zijn dat geen aanvraag voor kindgebonden budget hoeft te worden gedaan, maar de Belastingdienst/Toeslagen gericht informatie opvraagt bij de SVB. De Belastingdienst/Toeslagen zou dan van iedereen die recht heeft op een andere toeslag moeten toetsen of zij op basis van het inkomen ook recht zouden hebben op kindgebonden budget. Vervolgens zou bij de SVB moeten worden opgevraagd of de ontvangers van de toeslag ook kinderen hebben waarvoor zij recht hebben op kinderbijslag. Dat zijn geen gegevens waar de Belastingdienst/Toeslagen al over beschikt, omdat in de basisregistratie personen alleen eigen kinderen staan. Recht op kinderbijslag kan ook bestaan voor bijvoorbeeld aangehuwde kinderen of pleegkinderen. Dit leidt er dus toe dat, net als in de huidige situatie, een grote gegevensstroom ontstaat, maar dan van de Belastingdienst/Toeslagen naar de SVB. Daarnaast leidt dit tot meer gegevensuitwisselingen, omdat de Belastingdienst/Toeslagen elk jaar opnieuw het recht op kindgebonden budget vaststelt, en dus bij de SVB zou moeten opvragen of (nog steeds) een recht op kinderbijslag bestaat. In het huidige systeem verstuurt de SVB eenmalig het startbericht als iemand recht krijgt op kinderbijslag. Dit startbericht blijft gelden totdat de SVB, door middel van een stopbericht, te kennen geeft dat de betrokkene geen recht meer heeft op kinderbijslag. Verder zou dit alternatief ervoor zorgen dat er meer gevoelige gegevens worden uitgewisseld, omdat niet alleen burgerservicenummers zouden worden gedeeld, maar uit de gedeelde persoonsgegevens ook volgt dat de betreffende personen in een lagere inkomenscategorie zitten en daarmee inkomensgegevens bevat.

Daarnaast zorgen beide genoemde alternatieven ervoor dat de druk op de Belastingdienst/Toeslagen groter wordt. Dat gaat in tegen het andere doel van de regeling, namelijk het verminderen van de uitvoeringskosten van de Belastingdienst/Toeslagen. Met de genoemde alternatieven kunnen de doelen van de verwerkingen dus niet worden bereikt.

- Is de verwerking van de gegevens proportioneel?

5.8.    Inherent aan de regeling in artikel 5, tweede lid, van de Wkb is dus dat er ook gegevens worden verwerkt die niet relevant hoeven zijn voor het toekennen van kindgebonden budget. Dat is een inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Uit het vereiste van evenredigheid in artikel 6, derde lid, van de AVG, volgt dat die inbreuk evenredig moet zijn in verhouding tot de met de verwerking te dienen doelen.

5.9.    De Afdeling is van oordeel dat in dit geval de inbreuk op de privacy in beginsel evenredig is in verhouding tot de met de verwerking te dienen doelen. Het kindgebonden budget is een aanvulling op het inkomen voor ouders in lagere inkomensgroepen. Het kindgebonden budget ondersteunt die ouders bij de zorg voor hun kinderen. Effectieve en efficiënte uitkering daarvan is dus niet alleen in het belang van de ouders, maar ook in het belang van hun kinderen. Het doel van de verwerkingen van gegevens is het ontlasten van burgers door te zorgen dat zij geen extra aanvraag voor kindgebonden budget hoeven te doen. Daarbij geldt dat niet alleen burgers worden ontlast die wel recht hebben op kindgebonden budget, maar ook burgers die dat niet hebben. Zij hoeven immers geen aanvraag te doen om te controleren of zij daar recht op hebben. De Afdeling vindt deze belangen in beginsel zwaarder wegen dan de inbreuk op de privacy van burgers die geen recht blijken te hebben op kindgebonden budget. Daarbij is van belang dat in het startbericht alleen de gegevens staan die nodig zijn om een recht op kindgebonden budget vast te kunnen stellen, namelijk de burgerservicenummers van het kind en de ouders, en de geboortedatum en het woonland van het kind. Bovendien wordt het startbericht in beginsel maar één keer door de SVB naar de Belastingdienst/Toeslagen verstuurd.

Het voorgaande sluit niet uit dat er mogelijk bijzondere omstandigheden zouden kunnen zijn op grond waarvan de inbreuk op de privacy van de betrokkene in een individueel geval zwaarder weegt dan het belang van het doel dat is gediend met de verwerking van de gegevens. [appellant sub 1] heeft echter geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd waarom de inbreuk op zijn privacy en die van zijn dochter in dit geval zwaarder zou moeten wegen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de verwerking van de persoonsgegevens van [appellant sub 1] en zijn dochter dus niet onevenredig.

- Conclusie

5.10.  Het verstrekken van de persoonsgegevens van [appellant sub 1] en zijn dochter door de SVB aan de Belastingdienst/Toeslagen is niet in strijd met de AVG.

5.11.  Het betoog van de SVB slaagt.

Conclusie hoger beroep SVB

6.       Het hoger beroep van de SVB is gegrond.

Hoger beroep van [appellant sub 1]

7.       [appellant sub 1] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de SVB het startbericht niet hoefde te verwijderen. Tijdens de zitting in beroep heeft de rechter namelijk vastgesteld dat de gegevens in het startbericht al vernietigd hadden moeten zijn in verband met de bewaartermijn van vijf jaar.

Heeft de SVB het startbericht te lang bewaard?

7.1.    Omdat met het startbericht rechtmatig gegevens van [appellant sub 1] en zijn dochter zijn verstrekt, moest de SVB het startbericht op grond van de Archiefwet 1995 en de daarop gebaseerde selectielijst voor een periode van vijf jaar bewaren. De SVB heeft toegelicht dat de startberichten die voor verwijdering in aanmerking komen één keer per jaar worden vernietigd, en wel aan het einde van een kalenderjaar of aan het begin van een nieuw kalenderjaar. Het startbericht met de gegevens van [appellant sub 1] en zijn dochter is in 2016 verstrekt. Het moest dus bewaard worden tot 2021. Het zou dan vernietigd moeten worden aan het eind van 2021 of aan het begin van 2022. Het startbericht is vernietigd op 2 februari 2022. Dat komt overeen met de door de SVB geschetste werkwijze op basis van de Archiefwet 1995. De SVB heeft het startbericht dus niet te lang bewaard. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat, hoewel het startbericht zelf vernietigd is, de gegevens die daarin stonden nog steeds bewaard worden door de SVB, omdat die nodig zijn voor de uitbetaling van de kinderbijslag.

7.2.    Het betoog slaagt niet.

Verzoek om schadevergoeding

8.       [appellant sub 1] voert aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Gezien de leeftijd van zijn dochter moet haar belang gelijkgesteld worden met dat van haar ouders. De jarenlange procedures die [appellant sub 1] tegen de SVB heeft moeten voeren zorgen voor veel spanning en frustratie. Dat heeft niet alleen invloed op hem, maar werkt ook door naar zijn kinderen. [appellant sub 1] verzoekt daarom om vergoeding van de immateriële schade wegens schending van de AVG.

8.1.    Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de AVG heeft eenieder die schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op de AVG recht op een schadevergoeding. Zoals hiervoor onder 5.10 is overwogen is het verstrekken van de persoonsgegevens van [appellant sub 1] en zijn dochter door de SVB aan de Belastingdienst/Toeslagen niet in strijd met de AVG. Alleen al daarom moet het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 1] worden afgewezen.

8.2.    Het betoog slaagt niet.

Overschrijding van de redelijke termijn

9.       [appellant sub 1] heeft in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor afdoening van het geschil.

9.1.    De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155, onder 6.2.

9.2.    Het bezwaarschrift van [appellant sub 1] is op 7 mei 2019 door de SVB ontvangen. De gronden van het bezwaar zijn op 4 juni 2019 ontvangen. Op dat moment lag een ander geschil tussen [appellant sub 1] en de SVB over hetzelfde onderwerp nog voor in hoger beroep. [appellant sub 1] heeft daarom op 4 juni 2019 verzocht om de behandeling van het bezwaar aan te houden. De SVB heeft op 6 juni 2019 de beslistermijn op het bezwaar opgeschort tot het moment van uitspraak in de hoger beroepszaak. De Afdeling heeft in die zaak op 4 maart 2020 uitspraak gedaan. De periode waarover instemming met uitstel van het nemen van een besluit op bezwaar bestond, blijft bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden buiten beschouwing. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2689, onder 9.4. De periode van uitstel tussen 6 juni 2019 en 4 maart 2020 bedraagt 8 maanden en 27 dagen. Dat betekent dat de redelijke termijn, met inachtneming van deze periode, afloopt op 3 februari 2024. Daarom is in deze procedure de redelijke termijn niet overschreden.

9.3.    Het verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Conclusie hoger beroep van [appellant sub 1]

10.     Het hoger beroep is ongegrond. Het verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Slotsom

11.     Het hoger beroep van de SVB is gegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

12.     De SVB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank gegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 mei 2021 in zaak nrs. 20/3537 en 20/3811;

IV.      verklaart het door [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V.       wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.

w.g. Daalder
voorzitter

w.g. Kamperman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2023

1000

BIJLAGE

Verordening (EU) 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming)

Artikel 6

1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:

a) Unierecht; of

b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.

Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. […] Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.

Artikel 17

1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:

d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;

3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:

b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;

Artikel 82

1. Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 38. Informatieverstrekking aan de Belastingdienst/Toeslagen

1        Openbare lichamen met uitzondering van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en verhuurders van een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet op de huurtoeslag verstrekken kosteloos aan de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling.

Wet op het kindgebonden budget

Artikel 1. Algemene bepalingen

1        In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

b.       kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen;

Artikel 5. Uitvoering

2        De ouder die

a.       over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden budget, en

b.       over het berekeningsjaar reeds in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen,

wordt geacht een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor het kindgebonden budget te hebben gedaan.

Archiefwet 1995

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

c.       archiefbescheiden:

1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten;

Artikel 5

1        De zorgdrager is verplicht tot het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen.