Uitspraak 202306038/1/R1 en 202306038/3/R1


Volledige tekst

202306038/1/R1 en 202306038/3/R1.
Datum uitspraak: 7 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Roermond,
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 september 2023 in zaak nr. 21/3414 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend te Roermond,

en

het college.

Procesverloop

Het college heeft op 11 februari 2021 bekendgemaakt dat de door Yask Facility Management B.V. (hierna: Yask) aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een terreinafscheiding rondom een containerpark op het adres Eci 13 in Roermond, van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 12 november 2021 heeft het college, voor zover hier van belang, beslist op het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaar.

Bij uitspraak van 6 september 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 november 2021 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van rechtswege, en het besluit van rechtswege herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij A] en [wederpartij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 november 2023, waaraan het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. van Alphen, via een videoverbinding heeft deelgenomen en waar [wederpartij A] en [wederpartij B] zijn verschenen. Ook is ter zitting Yask, vertegenwoordigd door [gemachtigde], via een videoverbinding als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       In het pand aan de Eci 13 in Roermond is de ECI Cultuurfabriek gevestigd. Het terrein achter het pand wordt gebruikt voor de opslag van afval in afvalcontainers. [wederpartij A] en [wederpartij B] wonen naast het pand en stellen overlast te ondervinden van het gebruik van het terrein voor afvalopslag.

2.       Op grond van het bestemmingsplan "Roerdelta fase 1" geldt voor de gronden van het ECI-gebouw de bestemming "Cultuur en ontspanning". Voor het terrein waar de afvalcontainers staan, geldt de bestemming "Groen".

3.       Yask heeft op 9 december 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. In de aanvraag is het project omschreven als: "Het realiseren van een terreinafscheiding rondom het bestaande containerpark t.p.v. de ECI te Roermond".

In de brief van 11 februari 2021 heeft het college vermeld dat het uiterlijk 3 februari 2021 een beslissing op de aanvraag had moeten nemen. Daarin staat verder dat dit betekent dat de vergunning van rechtswege is ontstaan voor de activiteit ‘Handeling in strijd met bestemmingsplan (realiseren terreinafscheiding rondom bestaande containerpark)’.

[wederpartij A] en [wederpartij B] hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van rechtswege. Bij besluit van 12 november 2021 heeft het college onder meer op dit bezwaar beslist.

4.       De rechtbank heeft overwogen dat zij het college niet kan volgen in zijn - eerst bij het besluit op bezwaar ingenomen - standpunt dat het besluit van rechtswege mede betrekking heeft op het realiseren van een stallingsplaats voor afvalcontainers. Uit de bewoordingen van de aanvraag van 9 december 2020 is volgens de rechtbank op geen enkele wijze af te leiden dat Yask (ook) daarvoor een vergunning heeft aangevraagd. Yask heeft een aanvraag ingediend voor het realiseren van een terreinafscheiding en dit is daarmee de omvang van het project waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Dat in de aanvraag ook is vermeld dat de terreinafscheiding rondom de - zonder omgevingsvergunning - reeds gerealiseerde en in gebruik zijnde stallingsplaats bij het ECI-gebouw wordt opgericht, maakt dat volgens de rechtbank niet anders. Door bij het besluit op bezwaar te oordelen dat het besluit van rechtswege ook betrekking heeft op het realiseren van een stallingsplaats voor afvalcontainers, is het college volgens de rechtbank buiten zijn beoordelingskader getreden.

Het hoger beroep van het college is gericht tegen deze overwegingen van de rechtbank.

5.       Bij het besluit van 12 november 2021 heeft het college ook beslist op het bezwaar van [wederpartij A] en [wederpartij B] tegen een bij besluit van 12 maart 2021 aan Yask verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘wijziging van een monument’. De rechtbank heeft het besluit van 12 november 2021 in zoverre in stand gelaten. Het hoger beroep is niet gericht tegen die beslissing van de rechtbank.

Verzoek om voorlopige voorziening

6.       Het college heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen.

Bij brief van 27 november 2023 heeft het college verzocht om ook een voorlopige voorziening te treffen in de handhavingsprocedure, waarin het college moet beslissen op het bezwaar van [wederpartij A] en [wederpartij B] tegen de afwijzing van hun handhavingsverzoek. Op de zitting is besproken dat de voorzieningenrechter van de Afdeling niet bevoegd is om die voorziening te treffen. Het college heeft daarbij laten weten dat het niet nodig is om dit verzoek door te zenden aan de voorzieningenrechter van de rechtbank. Het overweegt zelf een verzoek in te dienen. De voorzieningenrechter laat dit verzoek daarom verder onbesproken.

Direct uitspraak in de hoofdzaak

7.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat deze mogelijkheid op de zitting besproken is. De twee andere partijen, [wederpartij A] en [wederpartij B] en Yask, hebben op de zitting te kennen gegeven dat zij hiertegen geen bezwaar hebben en geen incidenteel hoger beroep zullen instellen.

Reikwijdte van aanvraag en omgevingsvergunning

8.       Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag van 9 december 2020 een aanvraag voor een opstelplaats voor afvalcontainers omvat. Dit blijkt volgens het college uit de tekening bij de aanvraag, waarop de opstelplaats is weergegeven. Verder wijst het college op zijn brief van 27 oktober 2020, waarin Yask werd verzocht een aanvraag  voor de opstelplaats voor de afvalcontainers in te dienen. Yask heeft zelf op 27 januari 2021 een melding gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ten behoeve van de opstelplaats voor afvalcontainers en Yask heeft ook op 15 februari 2021 een afzonderlijke aanvraag voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘wijziging van een monument’ ingediend. Het college wijst er verder op dat de erfafscheiding in de bestemming "Groen" geen ander doel heeft dan als afscheiding te dienen voor een gebruik als opstelplaats voor afvalcontainers in strijd met de bestemming.

8.1.    De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de brief van het college van 27 oktober 2020, niet uit te sluiten valt dat Yask naar aanleiding van die brief de intentie heeft gehad ook een vergunning voor de realisatie en het gebruik van een stallingsplaats voor afvalcontainers aan te vragen, vooral ook omdat de aanvraag ziet op de activiteit ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’ en ook een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan. Volgens de rechtbank is echter de enkele vermelding in de aanvraag dat de terreinafscheiding wordt opgericht bij een locatie die dient als stalling voor afvalcontainers onvoldoende concreet om daar een dergelijke aanvraag in te lezen.

8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is in het stelsel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1765, waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen.

In de aanvraag is als aanvraagnaam vermeld: "Terreinafscheiding ECI Roermond". Ook de projectomschrijving, hiervoor onder 3 weergegeven, beperkt de omvang van het project tot het realiseren van de terreinafscheiding. De daarin opgenomen woorden "rondom het bestaande containerpark" maken alleen duidelijk waar Yask de terreinafscheiding wil plaatsen. De bij de aanvraag horende situatietekening geeft die locatie nauwkeuriger weer en daarop staat daarom logischerwijs ook de opstelplaats voor afvalcontainers. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de aanvraag ook betrekking heeft op het gebruik van het terrein als opstelplaats voor afvalcontainers.

Uit de door het college genoemde brief van 27 oktober 2020, de melding, de afzonderlijk ingediende aanvraag en het gestelde doel van de terreinafscheiding, zou misschien kunnen worden opgemaakt dat wel degelijk bedoeld is om ook een vergunning aan te vragen voor de opstelplaats zelf. Die bedoeling blijkt echter niet uit de aanvraag en de daarbij horende stukken, die samen bepalend zijn voor de omvang van de aanvraag. Aan die gegevens buiten de aanvraag komt niet de betekenis toe die het college daaraan wil toekennen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid vooral voor derden van belang is dat duidelijk is waartoe de aanvraag strekt.

De conclusie van de rechtbank dat geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor het gebruik van het terrein als opstelplaats voor afvalcontainers, is dus juist. Dit betekent dat daarvoor ook niet van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend.

8.3.    Het betoog slaagt niet.

9.       De andere gronden van het hoger beroep gaan uit van de veronderstelling dat een omgevingsvergunning voor het gebruik van het terrein als opstelplaats voor afvalcontainers is aangevraagd en daarmee van rechtswege is verleend. Omdat die veronderstelling niet juist is, kunnen die gronden niet tot het door het college daarmee beoogde doel leiden.

Conclusie

10.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.

11.     Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II.       wijst het verzoek af;

III.      bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Roermond een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Polak
voorzieningenrechter

w.g. Visser
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2023