Uitspraak 202306312/1/V3


Volledige tekst

202306312/1/V3.
Datum uitspraak: 7 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 oktober 2023 in zaken nrs. NL23.27730 en NL23.27733 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de staatssecretaris de termijn van deze bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.

Bij uitspraak van 2 oktober 2023 heeft de rechtbank de door de vreemdeling ingestelde beroepen tegen het voortduren van de bewaring en de verlengingsmaatregel ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL23.27730 (voortduren van de maatregel)

1.       De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).

2.       Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.

3.       De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL23.27733 (verlenging)

4.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

5.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de verlenging van de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.

In zaken nrs. NL23.27703 en NL23.27733

6.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. NL23.27730, kennis te nemen;

II.       bevestigt de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. NL23.27733.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2023

644-967