Uitspraak 202302610/2/A3


Volledige tekst

202302610/2/A3.
Datum uitspraak: 7 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 8 maart 2023 in zaak nr. 22/2595 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2022 heeft de minister beslist op een verzoek om inzage van [verzoeker].

Bij besluit van 31 augustus 2022 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2023 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, het besluit van 31 januari 2022 herroepen voor zover het ziet op de naam van de feedbackgever, bepaald dat de uitspraak voor dit deel in de plaats komt en bepaald dat de rechtsgevolgen voor het overige deel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 november 2023, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. C. Zwinkels en mr. S.J.M. Kokken, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Waar gaat deze zaak over?

2.       Er loopt een strafprocedure tegen [verzoeker]. In die procedure is onder meer een rapportage over zijn persoonlijkheid opgemaakt. [verzoeker] wil die rapportage en een aantal bijbehorende stukken inzien.

In hoger beroep gaat het voornamelijk nog om het zogenoemde feedbackformulier. Dat bevat volgens de rechtbank geen persoonsgegevens (als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensverwerking (EU) 2016/679; hierna: de AVG). [verzoeker] is het daar niet mee eens.

Waarom wil [verzoeker] een voorlopige voorziening?

3.       [verzoeker] heeft gevraagd om als voorlopige voorziening inzage te krijgen in het feedbackformulier. Hij heeft namelijk het feedbackformulier nodig om bij de tuchtrechter een klacht in te dienen tegen degene die het feedbackformulier heeft ingevuld.

Oordeel van de voorzieningenrechter

4.       De voorzieningenrechter wijst het verzoek van [verzoeker] om een voorlopige voorziening te treffen af.

De reden daarvoor is dat hij vindt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft om het feedbackformulier in te zien. [verzoeker] kan namelijk ook later nog een klacht bij de tuchtrechter indienen. De behandeling van zijn hoger beroep in de bodemprocedure en het oordeel van de Afdeling daarover kunnen daarom worden afgewacht.

Daar komt nog bij dat in hoger beroep de vraag voorligt of het feedbackformulier persoonsgegevens bevat. Beantwoording van die vraag vereist nader onderzoek. Deze procedure is daar niet geschikt voor. Verder is namens de minister op de zitting aangegeven dat hij incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat op het verzoek van [verzoeker] niet de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van toepassing is maar de AVG. Ook dit punt vergt meer onderzoek. Als de voorzieningenrechter zou bepalen dat [verzoeker] het feedbackformulier nu al mag inzien, zou daarmee vooruit worden gelopen op het oordeel hierover. Ook om deze redenen oordeelt de voorzieningenrechter dat het verzoek moet worden afgewezen.

Slotsom

5.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Van Ravels
voorzieningenrechter

w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2023

290