Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202202137/1/A3

Uitspraak 202202137/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:4521
Datum uitspraak
6 december 2023
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 april 2020 heeft het college vastgesteld dat het geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het door [appellante] ingediende bezwaar tegen een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Op 16 november 2019 heeft [appellante] bij het college een verzoek gedaan op grond van de Wob. Op 2 december 2019 heeft het college een besluit genomen op dit verzoek waartegen [appellante] op 3 december 2019 bezwaar heeft gemaakt. Op 6 april 2020 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld, omdat het volgens haar niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van 3 december 2019. Bij besluit van 24 april 2020 heeft het college vastgesteld dat het geen dwangsom is verschuldigd. In dit geschil gaat het alleen om de vraag of het college een dwangsom is verschuldigd. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college terecht geen dwangsom heeft toegekend omdat [appellante] haar ingebrekestelling te vroeg heeft ingediend.
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202202137/1/A3.
Datum uitspraak: 6 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zwaagdijk-Oost, gemeente Medemblik,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 22 februari 2022 in zaak nr. 20/5398 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2020 heeft het college vastgesteld dat het geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het door [appellante] ingediende bezwaar tegen een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).

Bij besluit van 27 augustus 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2023, waar [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Medemblik, vertegenwoordigd door mr. A.D. Peeters, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 16 november 2019 heeft [appellante] bij het college een verzoek gedaan op grond van de Wob. Op 2 december 2019 heeft het college een besluit genomen op dit verzoek waartegen [appellante] op 3 december 2019 bezwaar heeft gemaakt. Op 6 april 2020 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld, omdat het volgens haar niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van 3 december 2019. Bij besluit van 24 april 2020 heeft het college vastgesteld dat het geen dwangsom is verschuldigd. In dit geschil gaat het alleen om de vraag of het college een dwangsom is verschuldigd.

Uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college terecht geen dwangsom heeft toegekend omdat [appellante] haar ingebrekestelling te vroeg heeft ingediend.

Hoger beroep

3.       [appellante] betoogt in hoger beroep dat de bezwaaradviescommissie niet is ingesteld ten behoeve van haar verzoek van 16 november 2019, maar ten behoeve van een eerder Wob-verzoek van 18 december 2018. Nu geen bezwaaradviescommissie is ingesteld in deze procedure was de termijn voor het nemen van een besluit maar zes weken, zodat de ingebrekestelling niet te vroeg is ingediend. Daarom is het college, volgens [appellante], de maximale dwangsom verschuldigd.

3.1.    [appellante] betoogt verder dat ten onrechte drie keer griffierecht is geheven voor de behandeling van drie samenhangende zaken die bij de Afdeling aanhangig zijn. Daarnaast verzoekt zij om het toekennen van schadevergoeding.

Oordeel van de Afdeling

4.       Anders dan [appellante] betoogt, is deze zaak niet samenhangend met de twee andere door haar genoemde zaken. Deze zaak gaat over het niet toekennen van een dwangsom voor het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een besluit op een Wob-verzoek. De andere zaken gaan over de inschrijving van een woonadres in de basisregistratie personen respectievelijk het plaatsen van een dakopbouw op de woning [locatie A]. Daarom is voor deze zaak terecht afzonderlijk griffierecht geheven.

5.       De rechtbank heeft het beroep weliswaar terecht ongegrond verklaard, maar is op verkeerde gronden tot dit oordeel gekomen. Ingevolge artikel 15 van de Wob (nu artikel 8.2 van de Woo) is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb, waar de regels zijn opgenomen over een dwangsom bij niet tijdig beslissen, namelijk niet van toepassing op besluiten op grond van de Wob en op beslissingen op bezwaar tegen deze besluiten. Dat betekent dat in dit soort zaken geen dwangsommen kunnen worden verbeurd. De vraag of een ingebrekestelling op tijd of te vroeg is ingediend, speelt daarom niet. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

6.       Het hoger beroep is gegrond, omdat de rechtbank het verkeerde toetsingskader heeft gebruikt. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de rechtbank wel juist heeft beslist dat het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond is. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

7.       Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 22 februari 2022 in zaak nr. 20/5398;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V.       verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 (zegge: tweehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2023

317-1072-280


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon