Uitspraak 202001438/1/V1


Volledige tekst

202001438/1/V1.
Datum uitspraak: 29 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:

[de vreemdeling],
verzoeker,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep.

Procesverloop

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 februari 2020 in zaak nr. NL19.28327.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Balkenende, advocaat te Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken.

De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem in beroep opgekomen proceskosten.

Overwegingen

1.       Op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan, bij afzonderlijke uitspraak en met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb, op verzoek van een partij in de proceskosten worden veroordeeld, als het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken.

2.       Bij besluit van 21 november 2019 heeft de staatssecretaris het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Italië volgens hem verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen dat besluit ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak, omdat hij het niet eens is met een overweging van de rechtbank. De staatssecretaris heeft het hoger beroep vervolgens bij brief van 9 juni 2023 ingetrokken, omdat de overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In een brief aan de vreemdeling van diezelfde datum heeft de staatssecretaris ook vermeld dat hij hem een vergoeding van € 837,00 voor de proceskosten in hoger beroep zal toekennen, omdat hij hem dat - abusievelijk - heeft toegezegd.

Anders dan de vreemdeling betoogt, bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door de vreemdeling in beroep gemaakte proceskosten. De vreemdeling heeft immers tegen de uitspraak van de rechtbank geen - incidenteel - hoger beroep ingesteld, zodat de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 21 november 2019 in rechte vast staat.

3.       De Afdeling wijst het verzoek af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2023

488-988