Uitspraak 202305984/1/V2 en 202305984/2/V2


Volledige tekst

202305984/1/V2 en 202305984/2/V2.
Datum uitspraak: 16 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 augustus 2023 in zaak nr. NL23.827 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 23 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend, waarop de vreemdeling heeft gereageerd.

Overwegingen

1.       Wat de vreemdeling in de grieven 1, 2, 3 en 5 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De in grief 4 opgeworpen rechtsvraag, over het onderzoek naar en de beoordeling van een seksuele gerichtheid, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraken van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2170 (onder 6.4; uitspraak na het arrest van het Hof van Justitie van 2 december 2014, A, B en C, ECLI:EU:C:2014:2406), en van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754 (onder 3.1). Wat de vreemdeling aanvoert, biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.1.    Uit wat onder 2 is overwogen volgt dat de door de vreemdeling in grief 4 opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Trox, griffier.

w.g. Sevenster
voorzieningenrechter

w.g. Trox
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2023

968