Uitspraak 202300109/1/A2


Volledige tekst

202300109/1/A2.
Datum uitspraak: 15 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 november 2022 in zaak nr. 22/2998 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2022 heeft het college de aanvraag van [appellante] voor een éénmalig woningaanbod afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het college een urgentieverklaring aan [appellante] verleend waarmee zij kon reageren op een benedenwoning of flat met lift en drie, vier of vijf slaapkamers. Na afloop van de geldigheidstermijn van de urgentieverklaring heeft [appellante] op 14 december 2021 een aanvraag gedaan voor een éénmalig woningaanbod.

2.       Het college heeft bij het besluit van 29 maart 2022 de afwijzing van de aanvraag voor een éénmalig woningaanbod gehandhaafd op grond van artikel 4:8, vierde lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Volgens het college voldoet [appellante] niet aan de voorwaarden uit voormeld artikel, omdat zij passende woningen heeft geweigerd en niet op passende woningen heeft gereageerd waardoor de urgentieverklaring niet optimaal is benut. Het college heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.

3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat [appellante] de door het college met voorbeelden onderbouwde stelling dat passende woningen zijn geweigerd of dat daarop niet is gereageerd, niet heeft weersproken. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 en 6 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023

154-1081